Whiplash: causaal verband tussen klachten en beperkingen en ongeval staat vast, dit geldt echter niet voor schade

rechtbank Utrecht 27 juni 2012, LJN: BX5657
Verzoekster in 1998 van achteren aangereden. Aansprakelijkheid erkend door verweerster Generali. Whiplash(achtige) klachten.
Verzocht wordt om vast te stellen dat vav is ontstaan door het ongeval, althans om vast te stellen dat dit causaal verband juridisch voldoende vaststaat.

De rechtbank stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat het in 2011 door een neuroloog uitgebracht voorlopig deskundigenbericht uitgangspunt dient te zijn bij de verdere schade-afhandeling. Zij verschillen echter van mening over de betekenis van dit rapport.
Dat volgens de neuroloog een medisch neurologisch substraat voor de klachten ontbreekt, betekent niet dat in juridische zin geen sprake kan zijn van aan het ongeval toe te rekenen beperkingen. Het realiteitsgehalte van de klachten is blijkens het rapport van de neuroloog voldoende aannemelijk. Niet is gesteld of gebleken dat verzoekster vóór het ongeval vergelijkbare klachten had en er is geen alternatieve oorzaak. De slotsom is dat er in juridisch opzicht sprake is van causaal verband tussen de klachten en beperkingen die verzoekster ervaart en het ongeval.
Dit betekent echter niet dat per definitie sprake is van schade, meer in het bijzonder arbeidsvermogensschade, die voor vergoeding in aanmerking komt. Dat kan op basis van de beschikbare gegevens niet worden beoordeeld. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Generali wordt veroordeeld in de conform het verzoek begrote kosten.

Na deze uitspraak hebben partijen wellicht nog een lange weg te gaan…

4. De beoordeling
4.1. [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren.

4.2. Een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv kan ook aan de rechter worden gedaan terwijl tussen partijen reeds een bodemzaak aanhangig is. Het onderhavige verzoek is bij de rechtbank ingekomen op 16 maart 2012, terwijl Generali [verzoekster] op 20 maart 2012 heeft gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Gelet op deze data is in de zin van artikel 1019x Rv geen sprake van een reeds aanhangige bodemzaak, zodat een eventuele discussie over de vraag aan welke rechter het verzoek (had) moet(en) worden voorgelegd in principe in het midden kan blijven, waarbij de rechtbank wel constateert dat op grond van de woonplaats van [verzoekster], [woonplaats], en de plaats van het ongeval, Utrecht, de bevoegdheid van de rechtbank Utrecht gegeven is.

4.3. De deelgeschilprocedure kan worden gevoerd over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen partijen rechtens geldt ter zake van aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel in gevallen dat de beëindiging van dat geschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou zijn ingesteld indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt.
Hetgeen partijen verdeeld houdt, betreft in essentie de vraag naar het causaal verband tussen het ongeval, de klachten en de schade. De rechtbank is van oordeel dat de vraag naar het causaal verband in beginsel binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv valt. Met een oordeel over het causaal verband kán de ontstane impasse tussen partijen in beginsel worden doorbroken en zouden de onderhandelingen in principe kunnen worden voortgezet.

4.4. De vraag die in essentie voorligt is of het causaal verband tussen de klachten en het ongeval op basis van de voorhanden zijnde (medische) informatie thans kan worden vastgesteld. Partijen zijn het er over eens dat het rapport van Vermeulen op dit punt tot uitgangspunt dient te worden genomen bij de verdere schade-afhandeling. Zij verschillen evenwel van mening of uit dit rapport volgt dat er sprake is van causaal verband tussen klachten en ongeval, zoals [verzoekster] stelt, dan wel dat daaruit volgt dat er geen aan het ongeval toe te schrijven beperkingen zijn ten gevolge waarvan arbeidsvermogensschade is ontstaan, zoals Generali betoogt.

4.5. De rechtbank overweegt als volgt. Een verkeersongeval in de vorm van een achteropaanrijding zoals [verzoekster] op 5 november 1998 is overkomen leidt niet zelden tot het ontstaan van zogenoemde whiplashklachten of whiplashachtige klachten, waaronder valt te verstaan klachten aan de nek, bovenrug, schouders alsmede klachten op het cognitieve vlak. Aan het bewijs van het bestaan van deze klachten kunnen geen al te hoge eisen worden gesteld. Inherent aan dergelijke klachten is immers dat deze moeilijk objectiveerbaar zijn omdat bij deze klachten veelal een medisch, neurologisch substraat ontbreekt. Voor het bewijs van het in juridische zin bestaan van de geuite klachten is dan ook voldoende dat objectief kan worden vastgesteld dat de klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn zonder dat de klachten behoeven te worden geobjectiveerd in die zin dat zij door middel van reguliere onderzoeksmethoden en overeenkomstig de door de betreffende beroepsgroep vastgestelde richtlijnen als een erkend ziektebeeld worden vastgesteld. Dit klemt te meer in het geval de neuroloog conform de NVVN-richtlijnen 2007 rapporteert en op grond van die richtlijnen bij gebreke van een medisch substraat aan whiplash(achtige) klachten geen mate van functieverlies en beperkingen meer zal (kan) toeschrijven. Het in neurologische zin ontbreken van beperkingen betekent dus niet ook steeds dat evenmin in juridische zin geen sprake kan zijn van (aan het ongeval toe te schrijven) beperkingen. Het verweer van Generali op dit punt faalt derhalve.

4.6. In het licht van hetgeen onder rechtsoverweging 4.5. is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het realiteitsgehalte van de klachten voldoende aannemelijk is. Vermeulen heeft immers een diagnose kunnen stellen, waarbij zijn conclusie luidt dat bij [verzoekster] sprake is van “een tendinomyogeen symptomencomplex op cervicaal niveau zonder neurologische uitvals- of prikkelingsverschijnselen met klachten van parasthesieën in het ulnaire gebied links bij geheven houden van de linkerarm boven door de centrale lijn, zeer waarschijnlijk mede samenhangen met de hypertone van de nek- en schoudergordelmusculatuur”.
Anders dan Generali is de rechtbank niet van oordeel dat de door [verzoekster] gestelde klachten daarmee niet geobjectiveerd zouden zijn. Uit (de anamnese in) het deskundigenrapport van Vermeulen valt immers af te leiden dat [verzoekster] sinds het ongeval klaagt over pijnklachten in de nek, uitstralend naar boven en beneden langs de wervelkolom en ook uitstralend naar wisselend de linker en rechter schouder, pijnklachten in het hoofd, waarbij de pijn van achter naar voor trekt met misselijkheidsverschijnselen alsmede, bij toename van de pijnklachten, over problemen met concentratie en geheugen. Deze klachten hebben weliswaar een subjectief karakter, maar gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen over het bewijs van het bestaan van subjectieve klachten is niet vereist dat de klachten met gebruikmaking van in de reguliere gezondheidszorg algemeen aanvaarde onderzoeksmethoden en overeenkomstig de door de desbetreffende medische beroepsgroep vastgestelde standaarden en richtlijnen objectief worden vastgesteld. Van het debat tussen partijen maakt ook overigens geen deel uit dat de klachten van [verzoekster] (gedeeltelijk) voorgewend en/of overdreven en/of niet reëel zouden zijn, zodat daarmee vaststaat dat van aggravatie in ieder geval geen sprake is. Op basis van het vooroverwogene concludeert de rechtbank dat er bij [verzoekster] sprake is van klachten en beperkingen, die kort gezegd als whiplashklachten kunnen worden geduid.

4.7. Met betrekking tot het causaal verband tussen het ongeval en de klachten overweegt rechtbank als volgt. De vraag naar het (juridisch) causaal verband tussen het ongeval en de klachten en beperkingen is, nu het een juridisch oordeel betreft, voorbehouden aan de rechter. Op basis van de aan de deskundige ter beantwoording voorgelegde vragen, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de situatie met ongeval en de situatie zonder ongeval, stelt de rechter vast of er sprake is van causaal verband. Ook voor het bewijs van het verband tussen de klachten en het ongeval is het dus niet noodzakelijk dat bij het slachtoffer op basis van de geldende standaarden een erkend ziektebeeld wordt vastgesteld. Daarbij geldt dat, indien het slachtoffer heeft aangetoond dat zijn subjectieve gezondheidsklachten in de juridische betekenis bestaan, aan het bewijs van het oorzakelijk verband tussen het ongeval en deze klachten geen al te hoge eisen kunnen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Indien komt vast te staan dat het slachtoffer voor het ongeval deze gezondheidsklachten niet had, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn.
In het onderhavige geval is niet gesteld of gebleken dat [verzoekster] vóór het ongeval vergelijkbare klachten had. De klachten die [verzoekster] sinds het ongeval ervaart kunnen bovendien op zichzelf door het ongeval verklaard worden (zoals hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 4.5.), terwijl evenmin geoordeeld kan worden dat sprake is van een alternatieve oorzaak. De klachten van [verzoekster] zouden gezien de antwoorden van Vermeulen op de vragen II.a. en III.a niet zonder ongeval zijn opgetreden. Vermeulen geeft immers bij de beantwoording daarvan aan dat er – kort gezegd – geen klachten en afwijkingen en beperkingen op zijn vakgebied zouden zijn geweest indien [verzoekster] het ongeval niet zou zijn overkomen. Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank derhalve voorbij aan het standpunt dat Generali op dit onderdeel inneemt inhoudende dat de klachten zich niet laten verklaren uit het ongeval. Het vooroverwogene leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de slotsom dat er in juridisch opzicht sprake is van causaal verband tussen de klachten en beperkingen die [verzoekster] ervaart en het haar overkomen ongeval.

4.8. Daarmee komt de rechtbank toe aan het door [verzoekster] als “eerste deelgeschil” geformuleerde verzoek, waarbij verzocht wordt vast te stellen dat verlies aan arbeidsvermogen bestaat tengevolge van het ongeval, althans dat dit causaal verband juridisch voldoende vaststaat. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor onder rechtsoverweging 4.7. heeft overwogen volgt dat er in juridisch opzicht causaal verband is tussen de door [verzoekster] gestelde klachten en beperkingen en het haar overkomen ongeval. Dit betekent echter niet ook dat per definitie sprake is van schade, meer in het bijzonder arbeidsvermogensschade, die voor vergoeding in aanmerking komt. Dit wordt veelal eerst inzichtelijk na een belastbaarheids- en beperkingenprofiel opgesteld door een verzekeringsgeneeskundige, waarna een arbeidsdeskundige kan rapporteren. Dergelijke deskundigenrapportages maken thans (nog) geen deel uit van het dossier. De nu (wel) voorhanden zijnde gegevens zijn in ieder geval niet toereikend om te kunnen beoordelen of de door [verzoekster] gestelde arbeidsvermogensschade, laat staan met een door haar bij globale benadering geïndiceerd bedrag van € 2.000.000,00, het gevolg is van het haar overkomen ongeval. Hetzelfde geldt voor de door [verzoekster] genoemde post materiële en immateriële schade. [verzoekster] heeft daartoe (eveneens) onvoldoende gesteld. Dit betekent dat de rechtbank zowel het eerste verzoek als het tweede verzoek, waaronder het verzochte voorschot, zal afwijzen.

4.9. Het derde verzoek ziet op de buitengerechtelijke kosten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Generali kenbaar gemaakt dat de facturen aan haar kunnen worden toegestuurd en dat deze dan zullen worden voldaan. In zoverre behoeft op het eerste deel van dit verzoek geen beslissing te worden gegeven. Het verzochte voorschot van € 15.000,00 op de buitengerechtelijke kosten zal de rechtbank ook afwijzen. Geenszins staat vast dat die kosten tot op die hoogte worden gemaakt.

4.10. De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Deze kosten dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. [verzoekster] maakt aanspraak op vergoeding van € 6.307,00. Generali voert aan dat de deelgeschillen nodeloos aanhangig zijn gemaakt, nu [verzoekster] dit heeft gedaan in reactie op de aankondiging bij brief van 8 maart 2012 dat zij tot dagvaarding zou overgaan. De rechtbank is van oordeel dat die omstandigheid niet maakt dat het deelgeschil nodeloos aanhangig is gemaakt. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is een discussie over de causaliteit in principe een deelgeschil in de zin van de wet. De omstandigheid dat (inmiddels) een bodemzaak aanhangig is maakt dit niet anders. In het verlengde hiervan faalt ook het betoog dat de kosten gemoeid met het deelgeschil niet zijn te beschouwen als buitengerechtelijke kosten omdat met de brief van 8 maart 2012 het buitengerechtelijke traject zou zijn afgesloten. Een afwijzing van één of meerdere verzoeken als zodanig staat bovendien ook niet in de weg aan het begroten van deze kosten op de voet van artikel 1019aa Rv. Er moet sprake zijn van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv voor het oordeel dat de gemaakte kosten niet voor begroting in aanmerking komen of op nihil begroot moeten worden. Een dergelijk misbruik acht de rechtbank niet aanwezig en is overigens niet door Generali gesteld.
Generali betwist ten slotte, bij gebrek aan wetenschap, de hoogte van de kosten. Bij het verzoekschrift heeft [verzoekster] het bedrag van € 6.307,00 echter inzichtelijk gemaakt aan de hand van het aantal uren (20) en het uurtarief (€ 250,00). Nu Generali voor het overige geen verweer heeft gevoerd tegen de door [verzoekster] gestelde omvang van de kosten die gemoeid zijn met dit deelgeschil, het uurtarief een niet ongebruikelijk tarief is in letselschadezaken en Generali bovendien ter zitting heeft aangeboden de openstaande advocatendeclaraties te voldoen en in die zin de kosten in het “voortraject” ook op basis van dit tarief worden vergoed, zal de rechtbank de kosten begroten op € 6.307,00 en Generali tot betaling daarvan aan [verzoekster] veroordelen.

5. De beslissing
De rechtbank:

5.1. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.307,00 en veroordeelt Generali tot betaling daarvan aan [verzoekster];

5.2. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Sap en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2012.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: