7:658 Letsel bij beveiliger door winkeldief. Geen schending zorgplicht werkgever, kosten niet begroot

rechtbank Rotterdam (sector kanton) 21 mei 2012
Verzoeker was als beveiliger in dienst bij beveiligingsbedrijf  en gedetacheerd bij Albert Heijn filiaal. Bij aanhouding winkeldief viel verzoeker over toegangspoortje of paaltje en is letsel ontstaan. Werkgever aansprakelijk gesteld voor schending zorgplicht (art. 7:658 BW). Aansprakelijkheid wordt betwist.
Volgens de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat het vereist dan wel gebruikelijk is om meer dan één beveiliger per winkel aan te stellen; kon dit van de werkgever niet worden verwacht; is niet gebleken dat indien poortje met noodknop zou zijn uitgerust ongeval was voorkomen; is niet gebleken dat ongeval door eventueel niet goed functioneren poortje is veroorzaakt. Dus is vast komen te staan dat zorgplicht niet is geschonden. Omdat geen aansprakelijkheid kan worden aangenomen, kunnen de kosten van de deelgeschilprocedure niet worden begroot.

Het aanvankelijke verzoekschrift was uitsluitend gericht tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de werkgever, later is een tweede verzoekschrift tegen de werkgever zelf gericht. Beide zaken zijn gevoegd behandeld.

De rechtbank zet duidelijk uiteen waarom schending van de zorgplicht niet is gebleken. Zonder aansprakelijkheid is veroordeling in de kosten van een deelgeschilprocedure niet mogelijk. ‘De vraag is overigens of dit ook  in de weg staat aan begroting van die kosten. Als de kosten nodeloos zijn gemaakt, kunnen ze op nihil worden begroot.

5. De beoordeling van het geschil
5.1. [WERKNEMER] heeft zijn verzoekschrift tegen [VERZEKERAAR]ingediend bij de
sector civiel van de rechtbank Rotterdam. Gezien de aard van de vordering behoort de
zaak echter tot de competentie van de sector kanton. Nu [WERKNEMER] het verzoek
tegen [WERKGEVER] ten
aanzien van dezelfde schade wel bij de sector kanton heeft ingediend, en partijen
hebben ingestemd met gelijktijdige behandeling van beide zaken door de sector
kanton, is de onderhavige zaak op grond van artikel 71 lid 3Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering verwezen naar de kantonrechter. Partijen hebben tevens ingestemd
met de behandeling van de zaak door de sector kanton te Rotterdam, nu
[WERKNEMER] in deze plaats zijn werkzaamheden verrichte en hier zich het
schadebrengende feit heeft voorgedaan.
5.2. Niet in geschil is dat de verzochte beslissing in de zin van artikel 1019w Rv over de
aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW kan bijdragen aan de
totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. In dit deelgeschil dient uitsluitend
beoordeeld te worden of [VERZEKERAAR]en [WERKGEVER] aansprakelijk zijn voor de
door [WERKNEMER] geleden schade. Er zal geen oordeel worden gegeven over de schade
en de hoogte daarvan.
Aansprakelijkheid van [VERZEKERAAR]op grond van artikel 7:954 BW
5.3. [WERKNEMER] heeft op de comparitie van partijen aangevoerd dat
[VERZEKERAAR]op basis van artikel 7:954 lid 1 BW aansprakelijk is, nu in lid 3
van artikel 1019w Rv de deelgeschilprocedure ook voor deze directe actie is
opengesteld. Deze vordering is echter niet juist geformuleerd. Artikel 7:954 BW betreft
niet de aansprakelijkheid van de verzekeraar, maar, indien de verzekeraar een uitkering
verschuldigd is aan de verzekerde, de mogelijkheid voor een benadeelde om
rechtstreekse betaling van dit bedrag te vorderen. De onjuiste vordering leidt echter,
gelet op artikel 10I9w lid 3 BW, niet tot niet-ontvankelijkheid. Het is immers de
bedoeling dat de verzekeraar in een vroeg stadium op de hoogte raakt van een vordering
tegen de verzekerde en bij de procedure betrokken kan worden. Daarvan heeft
[VERZEKERAAR]ook feitelijk gebruik gemaakt. Wel kan een eventuele vordering van
[WERKNEMER] op [VERZEKERAAR]op grond van artikel 7:954 BW pas aan de
orde komen als vast staat dat [WERKGEVER] voor de door [WERKNEMER] geleden
schade aansprakelijk is.
Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW
5.4. [WERKNEMER] heeft op de comparitie van partijen aangevoerd dat hij
[WERKGEVER] en [VERZEKERAAR]naast de in de verzoekschriften genoemde
grondslag van artikel 7:658 BW ook op grond van goed werkgeverschap (artikel
7:611 BW) aansprakelijk acht. [WERKGEVER] en [VERZEKERAAR]hebben
bezwaar gemaakt tegen het in deze fase van het geschil inbrengen van een nieuwe
grondslag voor aansprakelijkheid. Hoewel namens [WERKNEMER]
aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW eerder in de brieven van 25 januari
2010 (van zijn vorige gemachtigde) en in de brief van 24 februari 2011 in algemene
zin is genoemd, heeft de gemachtigde van [WERKNEMER] op de comparitie van
partijen erkend dat deze grondslag niet eerder tussen partijen besproken is. Tegen deze
achtergrond kan, nu [WERKGEVER] en [VERZEKERAAR]tegen behandeling van
deze grondslag bezwaar hebben gemaakt, de vraag of er aansprakelijkheid moet
worden aangenomen op grond van goed werkgeverschap in deze zaak niet worden
opgevat als een geschil waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming
van een vaststellingsovereenkomst. Overigens zijn er onvoldoende concrete feiten en
omstandigheden gesteld omdeze grondslag—ambtshalve—te beoordelen. Deze
grondslag zal daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.
Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW
5.5. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [WERKNEMER] schade heeft geleden in
de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [WERKGEVER] bij Albert Heijn. Uit
artikel 7:658 lid 2 BW volgt dat de werkgever ([WERKGEVER], en niet
[VERZEKERAAR]als verzekeraar van de werkgever)—aansprakelijk is voor deze
schade, tenzij hij aantoont dat zij haar zorgplicht is nagekomen of dat de schade in
belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van
[WERKNEMER]. Partijen zijn het erover eens dat er van opzet of bewuste
roekeloosheid van [WERKNEMER] geen sprake is.
5.6. Beoordeeld moet daarom worden of [WERKGEVER] aan zijn zorgplicht als bedoeld in
artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan. [WERKGEVER] heeft ten aanzien hiervan gesteld
Zaaknummers: 1332071 VZ VERZ 12-2042
1339421 VZ VERZ 12-29695
dat [WERKNEMER] over voldoende opleiding en ervaring beschikte en duidelijke
instructies heeft ontvangen, waarin geen apart beleid ten aanzien van `veelplegers’ is
opgenomen.
Deze stellingen zijn door [WERKNEMER] niet weersproken. [WERKNEMER]
meent echter dat [WERKGEVER] ten aanzien van zijn zorgplicht op drie punten tekort is
geschoten: (1) [WERKNEMER] was de enige beveiliger, (2) er ontbrak een
noodknop op de toegangspoortjes en (3) de toegangspoortjes waren ondeugdelijk.
5.7. [WERKNEMER] werkte als de enige beveiliger op twee vestigingen van Albert Heijn.
Volgens [WERKNEMER] zouden er ten minste twee beveiligers per vestiging
werkzaam moeten zijn, zoals bij de Albert Heijn aan de Lijnbaan te Rotterdam het
geval is. [WERKNEMER] heeft echter niet verwezen naar een concrete afspraak of
regeling die een dergelijke eis stelt. Uit de als productie 14 bij het verzoekschrift
overgelegde `Instructie beveiliging’ volgt een dergelijke verplichting in ieder geval
niet. [WERKGEVER] heeft betwist dat er een verplichting bestaat om minimaal
twee beveiligers in te zetten. Hij heeft aangevoerd dat er bij de Albert Heijn aan de
Lijnbaan weliswaar bij bijzondere gelegenheden soms meerdere beveiligers actief
zijn, maar dat er op andere dagen meestal maar één beveiliger—soms zelfs ook voor
meerdere vestigingen—werkzaam is. Hierdoor is onvoldoende vast komen te staan
dat het vereist dan wel gebruikelijk is ommeer dan één beveiliger per winkel aan te
stellen. In dat opzicht is begrijpelijk dat [WERKGEVER] niet meer beveiligers inzet dan
zij met de betreffende vestiging van Albert Heijn is overeengekomen.
5.8. Desondanks is het aannemelijk dat een winkeldief eenvoudiger aangehouden kan
worden als er twee beveiligers aanwezig zijn die bij een aanhouding kunnen
samenwerken.Wanneer een beveiliger alleen werkt is dat veel lastiger. Uit de eerder
genoemde instructie beveiliging volgt echter duidelijk dat de aanwezigheid van
[WERKNEMER] vooral preventief was bedoeld en dat van hem niet primair werd
verwacht dat hij eventuele dieven aan zou houden of zelfs zou achtervolgen. Ook van
een instructie van [WERKGEVER] of Albert Heijn om de betreffende verdachte—
door [WERKNEMER] aangeduid als een veelpleger, maar hier staat verder niets over
vast—op te pakken is niets gebleken. Het `Meldingsformulier incidenten agressie
en geweld’ (productie 3 bij beide verzoekschriften) kan niet als ondersteunend bewijs
worden aangemerkt. Dit is een achteraf door [WERKNEMER] opgesteld formulier,
dat dient ter vastlegging van zijn lezing. Deze lezing is door [WERKGEVER] betwist
en is gezien de inhoud van het formulier niet zonder meer aannemelijk. Gezien het
voorgaande hoefde van [WERKGEVER] niet veevacht te worden dat zij ervoor
zorgden dat er ondersteuning voor [WERKNEMER] aanwezig was. Er is op dit punt
dan ook geen schending van de zorgplicht.
5.9. [WERKNEMER] heeft voorts aangevoerd dat het toegangspoortje met een noodknop
uitgerust had moeten zijn. Vast staat dat de toegangspoortjes ten tijde van het ongeval
niet voorzien waren van een noodknop, maar er is niets gebleken van enig voorschrift
op grond waarvan een dergelijk toegangspoortje met een noodknop uitgerust had
moeten
zijn. Het is bovendien nog steeds onduidelijk of [WERKNEMER] het letsel aan zijn
duim heeft opgelopen door de draai van de verdachte of door de val over de
toegangspoortjes. Het is hoe dan ook niet gebleken dat de aanwezigheid van een
noodknop het ongeval of het letsel had kunnen voorkomen. Er kan derhalve geen
schending van de zorgplicht worden aangenomen.
5.10. Als derde schending van de zorgplicht heeft [WERKNEMER] aangevoerd dat
de toegangspoortjes ondeugdelijk waren, in de zin dat deze soms zonder
reden openklapten. Dat de poortjes niet goed functioneerden blijkt echter
nergens uit. Daarbij heeft [WERKNEMER] noch gesteld dat het ongeval
(mede) door dit defect is veroorzaakt, noch dat door een correcte werking
van de poortjes het letsel voorkomen had kunnen worden. Hierdoor is van
een schending van de zorgplicht op dit punt geen sprake.
5.11. Uit liet voorgaande volgt dat niet is vast komen te staan dat [WERKGEVER] haar
zorgplicht heeft geschonden. [WERKGEVER] is daardoor niet op grond van artikel
7:658 BW aansprakelijk voor de door [WERKNEMER] geleden schade. Nu
[WERKGEVER] niet aansprakelijk is, hoeft de vordering op grond van artikel 7:954
BWverder niet behandeld te worden.
Buitengerechtelijke kosten
5.12. [WERKNEMER] heeft verzocht de door hem in liet kader van liet deelgeschil
gemaakte kosten op grond van artikel 1019aa Rv te begroten. De in dit artikel bedoelde
kosten zijn buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. Artikel 6:96
lid 2, aanhef en onder b BW biedt echter geen zelfstandige grondslag voor een
verplichting tot vergoeding van kosten die worden gemaakt voor vaststelling van schade
en aansprakelijkheid. De bepaling veronderstelt dat er al een wettelijke verplichting tot
schadevergoeding bestaat, in welk geval de buitengerechtelijke kosten naast de andere
als gevolg van een gebeurtenis geleden schade voor vergoeding in aanmerking komen.
Hierboven is echter geoordeeld dat er geen aansprakelijkheid kan worden aangenomen
aan de zijde van [VERZEKERAAR]of [WERKGEVER] voor de schade als gevolg
van liet ongeval van 8 oktober 2009. Bij gebreke van aansprakelijkheid aan de zijde van
[VERZEKERAAR]en [WERKGEVER] kunnen derhalve geen kosten op grond van
artikel 1019aa Rv in verband met artikel 6:96 BW worden begroot.
6. De beslissing De kantonrechter:
in de zaak met nummer 1332071 VZ VERZ 12-2042 ([WERKNEMER]—
[VERZEKERAAR]):
wijst de verzoeken af;
in de zaak met nummer 1339421 VZ VERZ 12-2969 ([WERKNEMER] – [WERKGEVER]):
wijst de verzoeken af.

Geef uw e-mailadres aan ons door en we laten u weten als er een nieuw bericht is geplaatst.