jong kind in zandbak met schep geslagen door ander kind: ouders wel, school niet aansprakelijk

rechtbank ‘s-Gravenhage (sector kanton) 14 mei 2012, LJN: BW6816
Het kind van verzoekers zit op basisschool voor kinderen met gedragsstoornissen en/of psychiatrische problemen en wordt tijdens schooltijd in zandbak door medeleerling met kunststof schep op hoofd geslagen. Ouders van dat kind en school zijn aansprakelijk gesteld. Aansprakelijkheid wordt betwist.
De rechter wordt verzocht om te bepalen wie van verweerders aansprakelijk is/zijn.
De toedracht van het ongeval is volgens de rechter voldoende komen vast te staan. Door met de schep te slaan is onrechtmatig gehandeld, waarvoor de ouders van het nog niet 14 jarige kind aansprakelijk zijn. De school is niet tekortgeschoten in de bijzondere zorgplicht ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van de leerlingen. Permanent toezicht op iedere leerling kan niet worden verlangd en de aanwezigheid van een kunststof schep is niet ongeschikt als speelmateriaal. De rechter stelt vast dat de ouders aansprakelijk zijn en begroot de kosten.

Ook uit deze uitspraak blijkt dat er een grens zit aan de zorgplicht van een school.

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie ’s-Gravenhage
zaaknummer / rekestnummer: 405679 / HA RK 11-649

Beschikking van 14 mei 2012

in de zaak van

1. [Vader X],
2. [Moeder X],
in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon X Onderwater,
beiden wonende te [Woonplaats],
verzoekers,
advocaat mr. J. Renshoff te Etten-Leur,

tegen

1. de stichting STICHTING JEUGDFORMAAT,
gevestigd te Rijswijk,
verweerster,
advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem,
2. de stichting STICHTING PROF.DR. LEO KANNER ONDERWIJSGROEP,
gevestigd te Zoetermeer,
verweerster,
advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,
3. de naamloze vennootschap AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
verweerster,
advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem,
4. de ouders/verzorgers, in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [ Y],
wonende te [Woonplaats],
verweerders,
advocaat mr. C. Fledderus te ’s-Gravenhage,
5. de naamloze vennootschap RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Ede,
verweerster,
advocaat mr. C. Fledderus te ’s-Gravenhage.

Verzoekers zullen hierna [Wettelijke vertegenwoordigers van X] genoemd worden. Verweerders worden hierna afzonderlijk aangeduid als Jeugdformaat, de Onderwijsgroep, Amlin, [Wettelijke vertegenwoordigers van Y]
en RVS.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 25 oktober 2011, met 20 producties;
– het verweerschrift van Jeugdformaat en Amlin;
– het verweerschrift van de Onderwijsgroep;
– het verweerschrift van [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] en RVS;
– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 maart 2012.

1.2. De kantonrechter heeft nog ontvangen de fax van mr. Kragt van 16 april 2012, de fax van mr. M. Eijkelenboom (advocaat van de Onderwijsgroep) en de brief van mr. Fledderus van 26 april 2012, met daarin enkele opmerkingen over het proces-verbaal. Deze faxberichten zullen bij de stukken worden gevoegd.

1.3. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2. De feiten

2.1.[X], geboren op 25 juli 2003, (hierna: X) volgt onderwijs aan de Leo Kannerschool in Zoetermeer, een school voor kinderen met gedragsstoornissen en/of psychiatrische problemen (hierna: de school). De school valt onder de Onderwijsgroep en de leerkrachten van de school werken samen met pedagogisch medewerkers van Jeugdformaat.

2.2. Op 12 februari 2009 is X, destijds vijfjaar oud, een ongeval overkomen op school. Toen hij op het schoolplein in de zandbak aan het spelen was heeft hij letsel opgelopen aan zijn hoofd (hierna: het ongeval).

2.3. De neuroloog, dr. J. Schuuring, heeft X op 16 februari 2009 onderzocht en bij X een hersenkneuzing vastgesteld.

2.4. Helga [Pedagogisch medewerker 1], pedagogisch medewerker bij Jeugdformaat en op de dag van het ongeval werkzaam op de groep van X (hierna: [Pedagogisch medewerker 1]), heeft van het ongeval melding gedaan. Op het door haar ingevulde formulier is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“(…)
Datum en tijdstip incident
Op welke datum vond het incident plaats?
(…)

12-02-2009

Aard incident
Wie ondernam de actie die leidde tot het incident?

cliënt

Naar wie was de cliënt actie gericht?

cliënt

KORTE omschrijving van de aard en de oorzaak van het incident
Een kind slaat een ander kind met een schep tegen het hoofd tijdens het buiten spelen
(…)

Ernst van het incident
Hoe ernstig heb je het incident ervaren?

Ernstig

Hoeveel collega’s waren er aanwezig bij het incident?

(…)”
2 collega’s
Waren er naar jouw mening voldoende collega’s aanwezig bij het incident?
ja

2.5. Bij brief van 2 april 2009 heeft [Leidinggevende daghulp]leidinggevende daghulp bij Jeugdformaat (hierna: [Leidinggevende daghulp]), voor zover relevant, het volgende aan [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. bericht:
“(…)
Op 12-02-2009, om 13:30 uur heeft er tijdens het buiten spelen een naar incident plaatsgevonden.
(…) Die middag wisselde een pedagogisch medewerker, [Pedagogisch medewerker 1] en docent, [Docent], elkaar af. Terwijl de pedagogisch medewerker naar binnen ging, ging de docent naar buiten om het toezicht over te nemen. (…) Er was op dat moment nog een pedagogisch medewerker, [Pedagogisch medewerker 2], op hetzelfde plein met enkele kinderen uit een andere groep. In totaal waren er 15 kinderen op het plein aan het spelen. Het incident vond plaats in de zandbak. Daar speelden vier kinderen op dat moment. Niemand heeft gezien wat er is gebeurd. De twee kinderen konden wel vertellen wat er was gebeurt, [Y] had [X] met een schep op zijn hoofd geslagen. Op de voorkant van het voorhoofd van [X] werd langzaam een bult zichtbaar. (…) Ouders zijn diezelfde dag op de hoogte gebracht van het incident, tevens is er melding gedaan bij de leidinggevende. Er is een incidentenformulier ingevuld.
(…)”

2.6.Y, de zoon van [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] [hierna Y], was vanaf 3 september 2007 op de Daghulp van Jeugdformaat geplaatst en is begin april 2009 opgenomen binnen een behandelgroep van de kinderpsychiatrie. Enkele dagen na het ongeval is Ygeschorst.

2.7. [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. hebben de Onderwijsgroep, Jeugdformaat en [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] aansprakelijk gesteld voor de door X geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. Allen, althans hun aansprakelijkheidsverzekeraars, hebben aansprakelijkheid afgewezen.

2.8. De e-mail van Y, een van de ouders van Y, van 25 juni 2010 aan mr. Renshoff luidt, voor zover relevant, als volgt:
“(…)
Hierbij wil ik u op de hoogte stellen dat de zaak (…) bij mijn assurantietussenpersoon van de RVS lig[X]
(…)
Ik hoop dat e.e.a. tot ieders tevredenheid kan worden opgelost.
(…)”

3. Het geschil

3.1. [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. verzoeken de kantonrechter – samengevat – te bepalen dat een van de verweerders aansprakelijk is voor het ongeval van X en vast te stellen welke partij dit is/dit zijn. Voorts verzoeken [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. de kantonrechter vast te stellen dat de kosten van de procedure voor vergoeding in aanmerking komen.

3.2. [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. leggen – samengevat – aan hun verzoek ten grondslag dat Y X tijdens het spelen in de zandbak met een schep op zijn hoofd heeft geslagen als gevolg waarvan X ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Zowel Jeugdformaat als de Onderwijsgroep zijn aansprakelijk voor de schade die X als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden, omdat zij – gelet op de leeftijd en de bijzondere aard van de leerlingen van de school – tekort zijn geschoten in hun zorgplicht om voldoende toezicht te houden op de kinderen op het schoolplein. Op grond van het bepaalde in artikel 6:169 lid 1 BWjuncto artikel 6:164 BW zijn [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] als ouders van Yaansprakelijk voor de onrechtmatige gedraging van Y, zodat zij op die grond gehouden zijn de schade van X te vergoeden, aldus nog steeds [Wettelijke vertegenwoordigers van X].

3.3. Verweerders voeren verweer. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

Behandeling in een deelgeschilprocedure?
4.1. Ter beoordeling staat in de eerste plaats of het verzoek van [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w- 1019cc Rv, zoals [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. hebben gesteld en verweerders hebben betwis[X]

4.2. De kantonrechter overweegt dat de deelgeschilprocedure volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid biedt in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen. Zij krijgen hiermee een extra instrument ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 2). Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de kantonrechter te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daartoe zal beoordeeld moeten worden of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure (31518, nr. 3, p. 10).

4.3. Bij de beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor beoordeling in een deelgeschilprocedure stelt de kantonrechter voorop dat indien een beslissing op het verzoek niet direct zal leiden tot een vaststellingovereenkomst omdat tussen partijen meerdere geschilpunten bestaan, dit niet maakt dat het verzoek niet geschikt is voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Volgens de memorie van toelichting (31518, nr. 8, p. 9) is immers geen beletsel dat er mogelijk meerdere deelgeschilprocedures nodig zullen blijken te zijn om tot een alomvattende afwikkeling van de zaak te komen. Van belang is dat partijen door de verzochte beslissing weer aan de onderhandelingstafel kunnen plaatsnemen. Niet is vereist dat vast komt te staan dat partijen na een beslissing op het verzoek een vaststellingsovereenkomst zullen sluiten, zoals door [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] en RVS is betoogd. Voldoende is dat de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Hoewel niet is gebleken dat tussen [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. en de Onderwijsgroep buitengerechtelijke onderhandelingen hebben plaatsgevonden, zoals de Onderwijsgroep heeft aangevoerd, verwacht de kantonrechter dat alle betrokken partijen na een beslissing op het verzoek de buitengerechtelijke onderhandelingen kunnen voortzetten. Nu uit het onderstaande zal blijken dat er geen nadere bewijslevering of deskundigenonderzoek noodzakelijk is om een beslissing op het verzoek te kunnen nemen, is de kantonrechter van oordeel dat de verzochte beslissing een voldoende bijdrage levert aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst om op te kunnen wegen tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure.

Inhoudelijke behandeling
4.4. Allereerst is aan de orde de vraag naar de toedracht van het ongeval. Anders dan [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] en RVS hebben betoogd, is de door [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. gestelde toedracht – dat YX tijdens het spelen in de zandbak met een schep heeft geslagen – in voldoende mate komen vast te staan. Uit het door [Pedagogisch medewerker 1] ingevulde incidentenformulier (zie hiervoor onder 2.4) en de door [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. overgelegde brief van [Leidinggevende daghulp] (zie hiervoor onder 2.5) volgt dat [Pedagogisch medewerker 1] en [Leidinggevende daghulp] ervan uit gingen dat X door een andere leerling (Y) is geslagen met een schep. In de brief van [Leidinggevende daghulp] staat bovendien dat twee andere leerlingen hebben verteld dat YX op zijn hoofd heeft geslagen. Dat dit verklaringen van kinderen betreffen en niet van volwassenen, maakt – anders dan [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] en RVS hebben betoogd – nog niet dat hieraan geen waarde kan worden toegekend. Het voorgaande vindt steun in het feit dat Y na het ongeval door de school is geschorst [X] Daarnaast strookt het verweer van [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] en RVS niet met de houding die [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] direct na het ongeval van X hebben ingenomen. Hoewel zij door de school op de hoogte waren gebracht van het incident in de zandbak, hebben [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] niet direct betwist dat YX heeft geslagen. Ook niet nadat zij door [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. aansprakelijk waren gesteld (zie de e-mail onder 2.8). Ter zitting is ook door mevrouw Engels verklaard dat zij niks tegen de schorsing van Y hadden ondernomen. Ook heeft zij verklaard dat Ythuis niet heeft gezegd dat iemand anders X had geslagen of dat er sprake was van een stoeipartij, zulks terwijl niet is weersproken dat X een bult op zijn hoofd had.

4.5. Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang genomen, hebben [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] en RVS de gestelde toedracht van het ongeval onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat voor de verdere beoordeling van de vraag naar aansprakelijkheid ervan uit wordt gegaan dat Y X met een schep op zijn hoofd heeft geslagen.

4.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Y onrechtmatig jegens X heeft gehandeld. Uit artikel 6:169 lid 1 BW juncto artikel 6:164 BW volgt dat in de situatie waarin door het kind, dat de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt, onrechtmatig is gehandeld, diegene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefenen vervangend aansprakelijk zijn. Gelet hierop faalt het verweer van [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] en RVS dat [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek jegens [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] omdat zij uitsluitend uit eigen hoofde aansprakelijk kunnen worden gesteld en niet als wettelijk vertegenwoordigers van Y. Op grond van voornoemd artikel zijn de ouders uit hoofde van hun ouderlijk gezag aansprakelijk. Nu bovendien voor de vestiging van aansprakelijkheid voldoende is dat enige schade is geleden en dit voldoende is komen vast te staan – X heeft als gevolg van het ongeval een hersenkneuzing opgelopen – en nu het bepaalde in artikel 6:169 lid 1 BW een risicoaansprakelijkheid behelst, dient te worden geconcludeerd dat (in ieder geval) [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] aansprakelijk zijn voor de schade die X als gevolg van het ongeval heeft geleden. De kantonrechter is echter van oordeel dat op dit moment bij gebrek aan medische informatie niet kan worden vastgesteld wat de aard en omvang van de schade is die X als gevolg van het ongeval heeft geleden alsmede of de schade in causaal verband staat met het ongeval. Dit zal door [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. na deze procedure nader moeten worden onderbouwd en eventueel nog moeten worden bewezen.

4.7. Wellicht ten overvloede merkt de kantonrechter op dat niet kan worden geoordeeld dat RVS als aansprakelijkheidsverzekeraar van [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] aansprakelijk is voor de door X geleden schade. [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. hebben mogelijk op grond van het bepaalde in artikel 7:954 BW de mogelijkheid om rechtstreeks van RVS betaling te vorderen van hetgeen [Wettelijke vertegenwoordigers van Y], die voor de schade aansprakelijk zijn, van RVS te vorderen hebben, hetgeen in het onderhavige deelgeschil niet aan de orde is.

4.8. Ten aanzien van de vraag of Jeugdformaat en/of de Stichting onrechtmatig hebben gehandeld – welke vraag tevens van belang is met het oog op een mogelijke regresvordering van [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] en/of RVS – wordt vooropgesteld dat volgens vaste jurisprudentie op een school een bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van de leerlingen die aan haar zorg zijn toevertrouwd en onder haar toezicht staan. Deze bijzondere zorgplicht houdt in dat een school alle inspanningen moet verrichten die redelijkerwijze van haar kunnen worden gevergd om een veilig schoolklimaat te bieden. Daarbij wordt opgemerkt dat deze bijzondere zorgplicht een inspanningsverbintenis is en geen resultaatsverplichting.

4.9. Indien en voor zover [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. hebben bedoeld te betogen dat Jeugdformaat en de Onderwijsgroep gelet op de leeftijd en de bijzondere aard van de leerlingen – kinderen met gedragsstoornissen en/of psychische problemen – permanent toezicht hadden moeten houden op de kinderen, die in de zandbak aan het spelen waren, volgt de kantonrechter dit betoog niet. De onder 4.8 bedoelde bijzondere zorgplicht reikt niet zover dat steeds op iedere leerling – ook bij leerlingen met gedragsstoornissen of psychische problemen en derhalve ook bij Y, die volgens [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. al meerdere keren kinderen zou hebben geslagen – rechtstreeks toezicht wordt gehouden, zodanig dat elke onregelmatigheid direct wordt opgemerkt en direct kan worden ingegrepen. Het stellen van een dergelijke eis gaat de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm te boven.

4.10. Naar de Onderwijsgroep onweersproken heeft betoogd bestaan de groepen op de school uit maximaal 12 kinderen, waarbij één docent en twee pedagogisch medewerkers zijn betrokken. Wanneer de kinderen buiten spelen wordt volgens de Onderwijsgroep en Jeugdformaat altijd door twee medewerkers toezicht gehouden. Dit is als zodanig niet door [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. weersproken. Deze gebezigde wijze van toezicht – twee medewerkers op 12 kinderen – op het schoolplein acht de kantonrechter – ook bij deze leerlingen – niet ongebruikelijk en niet onverantwoord. Dat één van de twee medewerkers (om welke reden dan ook) zeer kort het schoolplein heeft verlaten, maakt dat niet anders. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat het geven van een klap in een ogenblik gebeurt en dit zelfs bij één op één toezicht niet altijd is te voorkomen. De kantonrechter verwerpt het betoog van [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. dat Y X minimaal drie keer met een schep heeft geslagen, nu dit betoog eerst ter zitting is gevoerd en niet concreet is onderbouwd, zodat het ervoor wordt gehouden dat X één keer door Y met een schep op zijn hoofd is geslagen.

4.11. Ook de keuze van het speelmateriaal in de zandbak, een schep, leidt er niet toe dat moet worden geoordeeld dat de Onderwijsgroep en Jeugdformaat onrechtmatig hebben gehandeld, zoals [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. hebben betoogd. Onweersproken is immers dat het een normale kunststof schep betrof waarmee kinderen doorgaans in de zandbak spelen. Er is derhalve door de Onderwijsgroep en Jeugdformaat geen materiaal gebruikt dat als zodanig ongeschikt is voor kinderen. Dat het hier gaat om kinderen met psychische problemen en/of gedragsstoornissen maakt dat niet anders. Immers, ook bij extra of permanent toezicht valt niet uit te sluiten dat alsnog met de schep wordt geslagen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat met vrijwel ieder voorwerp (zoals pennen, potloden, boeken etc.) schade kan worden veroorzaakt, wanneer deze voorwerpen worden gebruikt voor een ander doel waarvoor deze zijn gemaakt (bijvoorbeeld door daarmee een ander kind te slaan). De Onderwijsgroep en Jeugdformaat kan dan ook niet worden verweten dat zij bij de keuze van het speelmateriaal geen rekening hebben gehouden met de leeftijd en de aard van de kinderen, althans dat zij als toezichthouder rekening hadden moeten houden met het feit dat de kinderen met een schep aan het spelen waren.

4.12. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Jeugdformaat en de Onderwijsgroep niet onrechtmatig hebben gehandeld en daarom ook niet aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval van X. Gelet hierop behoeven de andere verweren van Jeugdformaat, Amlin en de Onderwijsgroep geen bespreking meer.

4.13. [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. hebben verzocht vast te stellen dat de kosten van deze procedure voor vergoeding in aanmerking komen op de voet van artikel 6:96 BW. De kantonrechter begrijpt dit verzoek aldus dat [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. hebben bedoeld de kantonrechter te verzoeken de kosten van deze procedure te begroten overeenkomstig artikel 1019aaRv.

4.14. Mr. C.A.M. Dilgen, kantoorgenoot van mr. Renshoff heeft ter zitting onder overlegging van een urenspecificatie aangevoerd dat mr. Renshoff tot aan de zitting in totaal 25 uur en 8 minuten aan deze zaak heeft besteed. Voorts gaat zij uit van een voorbereiding voor de zitting en de mondelinge behandeling van 5 uur en 1 uur extra tijd/correspondentie, hetgeen neerkomt op 31 uur en 8 minuten in totaal. Het uurtarief van mr. Renshoff bedraagt € 230, te vermeerderen met 6,5% kantooropslag en 19% BTW. De Onderwijsgroep en [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] en RVS achten de aan de zaak bestede tijd niet redelijk. Daarnaast maken [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] en RVS bezwaar tegen de hoogte van het door mr. Renshoff gehanteerde uurtarief.

4.15. De kantonrechter overweegt dat de kosten dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Het door mr. Renshoff gehanteerde uurtarief van € 230 komt de kantonrechter – gelet op de aard van de zaak, welke een specialistische kennis op het gebied van letsel- en personenschade vereist – niet bovenmatig voor. Gelet op het feit dat het verzoekschrift beperkt van omvang is, acht de kantonrechter het bovenmatig dat er in totaal 10 uur en 35 minuten in rekening zijn gebracht voor het opstellen van het verzoekschrift. De rechtbank zal de kosten voor het opstellen van het verzoekschrift begroten op € 1.150 (5 uur x € 230). Voor het overige komt de kantonrechter de aan de zaak bestede tijd niet onevenredig voor, met uitzondering van de uren die in rekening zijn gebracht voor het jurisprudentieonderzoek (1 uur) en het opstellen van notities ten behoeve van de zitting (2 uur). De kantonrechter gaat uit van een zittingsduur van 3 uur, 1 uur reistijd en 1 uur voor het opstellen van notities voor de zitting. De 60 minuten voor het jurisprudentieonderzoek vallen naar het oordeel van de kantonrechter onder het “bestuderen van de verweerschriften”. De rechtbank zal aldus op de totale kostenbegroting 7 uur en 35 minuten in mindering brengen. Dit betekent dat de kosten worden begroot op €6.573,11 (22 uur en 33 minuten x €230, vermeerderd met kantooropslag van 6,5% en BTW van 19%), te vermeerderen met het door [Wettelijke vertegenwoordigers van X]. betaalde griffierecht van € 260.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. stelt vast dat [Wettelijke vertegenwoordigers van Y] aansprakelijk zijn voor de schade van X als gevolg van het ongeval, met inachtneming van hetgeen is bepaald in 4.6, laatste twee zinnen;

5.2. begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 6.833,11 (inclusief kantoorkosten en BTW);

5.3. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: