Geen aansprakelijkheid ziekenhuis voor zenuwbeschadiging die na knieoperatie wordt geconstateerd

rechtbank Roermond 25 april 2012, Stichting PIV
Bij verzoekster is in ziekenhuis (evenals Centramed verweeder) knieprothese in linkerknie geplaatst. Na operatie blijkt linkeronderbeen gedeeltelijk verlamd te zijn. Er wordt een kwetsuur aan de grote heup-/bovenbeenzenuw geconstateerd. Aansprakelijkheid wordt betwist. De rechtbank wordt verzocht om voor recht te verklaren dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade voorvloeiend uit de knieoperatie.
De rechtbank passeert het verweer dat deze zaak zich niet leent voor deelgeschilbehandeling.
De rechtbank oordeelt dat het ziekenhuis niet is tekortgeschoten in de informatieplicht. Verzoekster is voldoende voorgelicht over de voorzienbare risico’s van de operatie. Nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat het letsel is ontstaan als gevolg van de operatie, betreft het een zo weinig voorkomende complicatie dat hiervoor niet hoefde te worden gewaarschuwd.
Omdat verzoekster onvoldoende heeft gesteld komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of sprake is van medische fout.
Het verzoek wordt afgewezen. Hoewel niet is verzocht om begroting, worden de kosten begroot, waarbij de rechtbank aanhaakt bij het forfaitaire tarief.

Dat de kosten zonder daartoe strekkend verzoek toch worden begroot is discutabel. Dit geldt temeer aangezien afwijzing van het verzoek voor de hand leek te liggen.

4. De beoordeling

4.1. In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w-1019cc Rv.

4.2. De rechtbank overweegt dat de deelgeschilprocedure volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade (hierna: de Wet deelgeschillen) de mogelijkheid biedt in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 2). Gezien de ratio van de deel geschil procedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient te rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

4.3. Bij de beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor beoordeling in een deelgeschilprocedure stelt de rechtbank voorop dat in de memorie van toelichting bij voornoemde wet is vermeld dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Net als bij andere deelgeschillen zal moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure (31518, nr. 3, p. 10). Tegen deze achtergrond is het enkele feit dat niet alleen de aansprakelijkheidsvraag partijen nog verdeeld houdt, maar ook andere zaken, niet voldoende voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor behandeling in de deelgeschilprocedure. De aansprakelijkheidsvraag betreft immers een geschilpunt aan het begin van het traject van de minnelijke onderhandelingen en een oordeel van de rechtbank op de aansprakelijkheidsvraag zou, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, buitengerechtelijke onderhandelingen op gang kunnen brengen. Weliswaar is de deelgeschilprocedure niet bedoeld om partijen aan de onderhandelingstafel te dwingen, maar in onderhavige kwestie is door het ziekenhuis niet gemotiveerd gesteld dat zij, als de aansprakelijkheid vast komt te staan in onderhavig geschil, niet bereid is om te gaan onderhandelen, zodat de rechtbank dan ook van oordeel is dat onderhavige deelgeschilprocedure voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van (nadere) onderhandelingen en daarmee mogelijk tot een minnelijke regeling. Immers van belang is of de verzochte beslissing een voldoende bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, niet dat de beslissing per definitie dient te leiden tot een vaststellingsovereenkomst.

4.4. De rechtbank komt derhalve toe aan de door [benadeelde] voorgelegde vraag of het ziekenhuis aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade voortvloeiend uit de knieoperatie d.d. 17 februari 2009.

4.5. Informed consent
[benadeelde] is van mening dat zij onvoldoende is geïnformeerd voor de operatie over de mogelijkheid tot het oplopen van een zenuwbeschadiging. Te meer, nu aan haar geen folder is verstrekt waarin de verwachtingen en risico’s van de door haar ondergane knieoperatie staan vermeld. Indien en voor zover deze folder wel aan haar was overhandigd dan nog zou [benadeelde] onvoldoende ingelicht zijn, omdat daarin geen melding wordt gemaakt van de complicatie die bij haar is opgetreden. Er wordt in die folder überhaupt niet over de complicatie van zenuwbeschadiging gesproken.

4.6. De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Ais onbetwist staat vast – nu dat door [benadeelde] niet is betwist – hetgeen drs. Van Eijdems in de brief van 5 februari 2009 aan de huisarts van [benadeelde] schrijft: dat hij de patiënte [benadeelde] heeft voorgelicht ook over de gevolgen en risico’s van een knieoperatie waarbij een knieprothese wordt geplaatst. Voorts is door [benadeelde] niet de stelling van het ziekenhuis betwist dat zij met alle patiënten het risico van een zenuwbeschadiging bij plaatsing van een knieprothese bespreekt Aldus wordt als vaststaand er vanuit gegaan dat met [benadeelde] de risico’s, waaronder ook het gestelde risico op een zenuwbeschadiging, zijn besproken. [benadeelde] betwist wel dat het onwaarschijnlijk is dat het ziekenhuis het risico op een zenuwbeschadiging bespreekt erop gelet dat in de gebruikte patiëntenfolders niet wordt gewezen op een mogelijke zenuwbeschadiging als gevolg van de operatie. Echter, hiermee betwist [benadeelde] niet dat niet met haar specifiek is gesproken over het risico van een zenuwbeschadiging. De rechtbank gaat er dan ook aan voorbij dat [benadeelde] niet voldoende zou zijn voorgelicht. Meer specifiek komt dan het – kennelijke – verwijt van [benadeelde] aan de orde waarom zij niet is ingelicht over het door haar overkomen kwetsuur aan de nervus ischiadicus. De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde] niet onterecht in het ongewisse is gelaten over het feit dat die kwetsuur kan ontstaan. Nog daargelaten dat niet is vast komen te staan dat die kwetsuur is ontstaan als gevolg van de operatie, is dit een mogelijke complicatie als gevolg van een knieoperatie, die, zoals door het ziekenhuis onbetwist is gesteld, zo weinig voorkomt, dat niet gezegd kan worden dat als de patiënt daarover niet wordt geïnformeerd er sprake is van schending van de informatieplicht door de behandelende arts. Immers een arts hoeft de patiënt niet, zo al mogelijk, op alle mogelijke risico’s te wijzen. De arts moet de patiënt zoals bepaald in art 7:488 BW over de normale, voorzienbare risico’s van de behandeling informeren. Van een voorzienbaar risico is in dit geval geen sprake. [benadeelde] brengt zulks ook zelf naar voren in haar verzoekschrift in punt 8. Daarin stelt zij immers dat in de literatuur niet tot nauwelijks melding wordt gemaakt van de bij [benadeelde] opgetreden complicatie. Het verzoek om voor recht te verklaren dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor enigerlei door [benadeelde] gestelde geleden schade als gevolg van schending van de wettelijke informatieplicht wordt dan ook afgewezen.

4.7. Medische kunstfout
[benadeelde] stelt dat meergenoemde kwetsuur een medische fout is. De beschadiging van de zenuw behoort volgens haar tot een vermijdbaar probleem, omdat het niet valt in de categorie te verwachten c.q. mogelijke complicaties. Het ziekenhuis verweert zich met de stelling dat de operatie lege artis is uitgevoerd en dat gelet op de locatie van de laesie en het feit dat het werkterrein van de operateur zich niet zo hoog boven de knie bevindt, maar eerder op de hoogte van de knie en het gebied daarjuist onder, de operatie niet kan hebben geleid tot de kwetsuur die zich bij [benadeelde] voordoet. Voor het ziekenhuis is het verder tot op heden onbegrijpelijk waardoor de laesie is ontstaan. Het is heel wel mogelijk dat deze zelfs na de operatie is ontstaan, bijvoorbeeld door een hematoom. Op welk moment de laesie is ontstaan, is derhalve ongewis, maar ook is daardoor ongewis welk handelen of nalaten daarvoor verantwoordelijk is en in hoeverre bijvoorbeeld ook andere omstandigheden daarbij een rol hebben gespeeld, aldus het ziekenhuis.

4.8. De rechtbank overweegt als volgt. Zij komt niet toe aan de beoordeling of er sprake is van een vermijdbare complicatie. Daarvoor is door [benadeelde] onvoldoende gemotiveerd gesteld in het licht van de betwisting van het ziekenhuis. Het had op de weg van [benadeelde] gelegen zich nader uit te laten over de vraag wat nu precies het ziekenhuis wordt verweten waardoor er sprake is van een medische fout, zodat ten minste een begin van aannemelijkheid van een medische fout ontstaat. Daarvoor is de enkele stelling dat door de arts het been verkeerd is gehanteerd onvoldoende alsook de enkele stelling dat de laesie niet een complicatie is die gebruikelijk is en derhalve een medische kunstfout. Immers een complicatie die zich zelden voordoet, maakt daarom nog niet dat er sprake is van een medische fout.

4.9. Longlijden
Ter zake hiervan overweegt de rechtbank als volgt. [benadeelde] heeft aangegeven dat het missen van de diagnose (beginnende) longontsteking gezien kan worden als een tekort in het protocol van de preoperatieve screening bij mensen met risicofactoren, waaronder [benadeelde]. Was die diagnose wel gesteld, dan was de operatie uitgesteld en was het onderhavige letsel als geval van de operatie niet opgetreden, aldus [benadeelde]. Het ziekenhuis heeft gemotiveerd betwist dat daags voor de operatie geen onderzoek heeft plaatsgevonden en zich voorts op het standpunt gesteld dat een onderzoek geen dan wel onvoldoende indicatie voor een infectie zou hebben opgeleverd.
Wat er ook zij van de inhoudelijke kant van deze kwestie, de rechtbank is van oordeel dat de stelling van [benadeelde] niet kan slagen. Onder 4.8 is immers geoordeeld dat er geen sprake is van een tijdens de operatie gemaakte medische fout. Dat [benadeelde], buiten het door haar gestelde letsel aan de knie als gevolg van de operatie, nog (andere) schade als gevolg van het longlijden heeft geleden, is gesteld noch gebleken.

4.10. Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek van [benadeelde] afgewezen.

4.11. Met betrekking tot een proceskostenveroordeling overweegt de rechtbank dat door [benadeelde] geen daarop gericht verzoek is gedaan. Op grond van het bepaalde in artikel 1019aa Rv begroot de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de verzoeker in de beschikking en neemt daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, BW in aanmerking. Gelet op de redactie van deze bepaling dient de rechtbank ook ambtshalve tot begroting over te gaan. Door [benadeelde] is geen opgave gedaan van de in het kader van het verzoekschrift gemaakte kosten. De rechtbank zal deze kosten begroten met inachtneming van het geldende forfaitaire tarief. Er wordt uitgegaan van twee punten, één voor de indiening van het verzoekschrift en één voor de mondelinge behandeling, tegen een waarde van € 452,00 per punt, te vermeerderen met het door [benadeelde] betaalde griffierecht ad € 260,00.

4.12. Uit artikel 1019aa leden 1,2 en 3 Rv en de toelichting daarop blijkt dat de rechter in de deelgeschilprocedure ingeval de aansprakelijkheid voor de geleden schade onvoldoende vaststaat dient te volstaan met een begroting van de proceskosten, zonder daarbij een proceskostenveroordeling uit te spreken. Nu de rechtbank in het voorliggende geval aansprakelijkheid van het ziekenhuis afwijst, wordt derhalve volstaan met een begroting van de proceskosten.

5. De beslissing

5.1. De rechtbank:

5.1. Wijst het verzoek af,

5.2. Begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 1.164,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.E. Derks en ter openbare civiele terechtzitting van 25 april 2012 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: