Verklaring voor recht dat verzoekster schuldloze derde is

rechtbank ‘s-Gravenhage 9 februari 2012, LJN: BV7111
Verzoekster was als bestuurder van een auto betrokken bij een ongeval met vijf auto’s, waaronder twee bij verweersters ABN AMRO em TVM verzekerde auto’s.
Er wordt verzocht om voor recht te verklaren dat verzoekster als schuldloze derde is aan te merken dan wel dat ABN AMRO en/of TVM aansprakelijk is en de schade dient te vergoeden.
Volgens TVMkan het verzoek onvoldoende bijdragen aan de totstankoming van een vaststellingsovereenkomst. Beide verweerders betwisten dat hun verzekerde schuld heeft aan het geval. Volgens hen heeft verzoekster schuld aan het ongeval.
Omdat de rechtbank verwacht dat partijen na een beslissing op het verzoek de buitengerechtelijke onderhandelingen kunnen voortzetten en geen nadere bewijslevering of deskundigenonderzoek nodig is, levert de verzochte beslissing een voldoende bijdrage aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst om op te kunnen wegen tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Aan de hand van getuigenverklaringen en hetgeen in deze procedure naar vorden is gebracht oordeelt de rechtbank dat aannemelijk (in de zin van de Bedrijfsregeling schuldoze derde) is dat verzoekster geen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat in ieder geval de verzekerde van ABN AMRO schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat dit ook geldt voor de verzekerde van TVM. Voor een beslissing op het verzoek is echter voldoende dat aannemelijk is dat één van de aangesproken partijen schuld heeft. In de onderlinge schuldverdeling tussen verweerders hoeft de rechtbank op dit moment dan ook niet te treden. De rechtbank verlaart voor recht dat verzoekster als schuldloze derde is aan te merken en veroordeeld ABN AMRO in de begrote deelgeschilprocedure kosten.

Met deze uitspraak is een complexe aansprakelijkheidskwestie opgelost. De deelgeschilprocedure was effectief.

4.De beoordeling
Behandeling van de zaak in een deelgeschilprocedure

4.1.In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure ex artikel 1019w-1019cc Rv.

4.2.De deelgeschilprocedure biedt volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen. Zij krijgen hiermee een extra instrument ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 2). Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient te rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daartoe zal beoordeeld moeten worden of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure (31518, nr. 3, p. 10).

4.3.Bij de beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor beoordeling in een deelgeschilprocedure stelt de rechtbank voorop dat in de memorie van toelichting bij voornoemde wet is vermeld dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Net als bij andere deelgeschillen zal moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure (31518, nr. 3, p. 10). Niet is vereist dat vast komt te staan dat partijen na een beslissing op het verzoek een vaststellingsovereenkomst zullen sluiten. Voldoende is dat de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Hoewel er op diverse vlakken nog veel onduidelijkheid bestaat, zoals TVM ook aanvoert, verwacht de rechtbank dat partijen na een beslissing op het verzoek de buitengerechtelijke onderhandelingen kunnen voortzetten. Nu uit het onderstaande zal blijken dat er geen nadere bewijslevering of deskundigenonderzoek noodzakelijk is om een beslissing op het verzoek te kunnen nemen, is de rechtbank van oordeel dat de verzochte beslissing een voldoende bijdrage aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst om op te kunnen wegen tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. De rechtbank komt aldus toe aan een inhoudelijke behandeling van het geschil.

Inhoudelijke behandeling van het geschil

4.4.[verzoekster] grondt haar vordering in de eerste plaats op de Bedrijfsregeling schuldloze derde. Deze regeling voorziet in een oplossing voor de situatie dat degene die buiten zijn schuld schade lijdt als gevolg van een schadegeval waarbij behalve hijzelf twee of meer partijen zijn betrokken en redelijkerwijs is aan te nemen dat ten minste één van die partijen aansprakelijk is voor die schade, problemen ondervindt (of zou kunnen ondervinden) bij het verkrijgen van de hem rechtens toekomende schadevergoeding (artikel 1 van de Bedrijfsregeling schuldloze derde). Indien sprake is van een situatie die onder deze regeling valt dient de verzekeraar die het eerst door een schuldloze derde of diens belangenbehartiger is aangesproken op te treden als regelend verzekeraar, waarbij hij ten opzichte van de schuldloze derde over gaat tot afwikkeling van de schade, zonder rekening te houden met de mogelijkheid dat zijn verzekerde niet of slechts gedeeltelijk aansprakelijk is (artikel 3 van de Bedrijfsregeling schuldloze derde).

4.5.In artikel 2 van de Bedrijfsregeling schuldloze derde is het volgende opgenomen:

“Artikel 2- Voorwaarden voor toepassing en begripsomschrijvingen
Voor toepassing van de bedrijfsregeling is vereist dat sprake is van een schadegeval waarbij:
een benadeelde kan worden beschouwd als ‘schuldloze derde’;
de andere betrokkenen hun mogelijke aansprakelijkheid voor het schadegeval en de daaruit voortvloeiende schade hebben verzekerd en waarvoor in concreto dekking bestaat bij een bij het Verbond van Verzekeraars aangesloten WAM-verzekeraar of AVP-verzekeraar; (…)

Hierbij gelden de volgende begripsomschrijvingen:

Schuldloze derde
Een partij, die als gevolg van een schadegeval, waarbij behalve hijzelf twee of meer partijen zijn betrokken, schade lijdt, ten aanzien waarvan aannemelijk is, dat hem aan het ontstaan van het schadegeval geen schuld treft en/of het schadegeval hem niet valt toe te rekenen, maar dat dit wel geldt voor tenminste één van de overige bij het schadegeval betrokkenen.

Betrokkene
Een partij, die zijn mogelijke aansprakelijkheid voor de schade die de schuldloze derde heeft geleden, heeft verzekerd bij een verzekeraar als eerder in dit artikel omschreven. (…)”

4.6.ABN AMRO en TVM betwisten dat [verzoekster] geen schuld treft aan het ontstaan van het schadegeval en/of het schadegeval haar niet valt toe te rekenen. Bovendien betwisten zij dat [B] en [A] als betrokkenen bij het schadegeval schuld kan worden verweten.

4.7.Alle partijen nemen tot uitgangspunt dat [verzoekster] kort voor het ongeval van rijstrook heeft gewisseld. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of [verzoekster] haar invoegactie reeds had afgerond op het moment van het ongeval en of zij met haar invoegmanoeuvre een gevaarlijke situatie heeft doen ontstaan dan wel het overige verkeer heeft gehinderd. Voorts staat tussen partijen niet vast waar [A] zich bevond ten tijde van het ongeval en welke manoeuvres hij heeft uitgevoerd.

4.8.Ten aanzien van de vraag of [verzoekster] schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval dan wel of het ongeval haar valt aan te reken overweegt de rechtbank dat [B] bij de politie heeft verklaard (zie 2.9) dat [verzoekster] [B] met een gering snelheidsverschil heeft ingehaald en vervolgens voor hem heeft ingevoegd. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft hij verklaard dat [verzoekster] niet gevaarlijk invoegde en dat er niets was gebeurd, indien [A] er niet was geweest. Bovendien merkt hij op dat [verzoekster] al had ingevoegd voordat [A] wilde invoegen (zie 2.13). [D] heeft bij de politie verklaard dat de ruimte tussen [B] en zijn voorligger ongeveer 10 meter bedroeg, voordat [verzoekster] tussen deze beide voertuigen invoegde (zie 2.6). Voorts heeft [D] tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat [verzoekster] netjes en met gepaste snelheid reed (zie 2.12). Uit deze verklaringen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verzoekster] reeds voordat het ongeval ontstond volledig voor [B] was ingevoegd en zij dit heeft gedaan zonder daarbij gevaar te veroorzaken of het overige verkeer te hinderen.

4.9.ABN AMRO en TVM hebben hun verweer dat [verzoekster] onvoldoende heeft geanticipeerd op de snelheid van [B] en de langere remweg van diens voertuig, in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd. Bovendien staat, getuige zijn eigen verklaring, vast dat [B] ten tijde van het ongeval minstens 12 km/uur te hard reed, waarmee hij degene is die een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen. De plicht om rekening te houden met de langere remweg van het voertuig van [B] rust uiteraard hoofdzakelijk op [B] zelf, die ten tijde van het ongeval bovendien met een zwaar beladen voertuig reed.

4.10.Aan de enkele opmerkingen van [B] bij de politie, dat de ruimte om in te voegen voor [verzoekster] wat krapjes was (zie 2.9), en zijn verklaring tijdens het voorlopig getuigenverhoor, waar hij opmerkt dat [verzoekster] te laat invoegde (zie 2.13), hecht de rechtbank geen waarde. Uit de beide, uitvoerige verklaringen die hij heeft afgelegd bij de politie en tijdens het voorlopig getuigenverhoor, blijkt dat voornoemde twee opmerkingen haaks staan op al het overige dat hij heeft verklaard en waaruit volgt dat [verzoekster] niet gevaarlijk invoegde. Bovendien volgt uit geen van de andere verklaringen dat [verzoekster] heeft ingevoegd terwijl daar onvoldoende ruimte voor was. Dat [verzoekster] onvoldoende heeft geanticipeerd op het rijgedrag van [B], kan aldus niet worden aangenomen. Dat [verzoekster] voorts haar invoegactie nog niet had voltooid op het moment dat [A] voor [B] invoegde, volgt alleen uit de verkeersongevalsanalyse en wordt niet door de verklaringen ondersteund. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat [verzoekster] haar invoegmanoeuvre reeds had afgerond toen de eerste aanrijding plaatsvond.

4.11.Het voorgaande leidt ertoe dat [verzoekster] zonder gevaarzettend te handelen of hinder te veroorzaken reeds voordat het ongeval plaatsvond volledig van rijstrook was gewisseld. Zij heeft aldus niet in strijd met artikel 54 RVV 1990 of artikel 5 WVW gehandeld. Nu gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] overigens een verwijt treft ten aanzien van het ontstaan van het schadegeval, oordeelt de rechtbank dat “aannemelijk” is dat [verzoekster] geen schuld heeft aan het ontstaan van het schadegeval en het schadegeval haar niet valt toe te rekenen.

4.12.Voorts dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat een van de door [verzoekster] aangesproken betrokkenen, te weten [B] of [A], schuld treft aan het ontstaan van het schadegeval en/of het schadegeval aan een van hen valt toe te rekenen.

4.13.Zoals hiervoor reeds overwogen staat tussen partijen vast dat [B] minstens 12 km/uur te hard reed ten tijde van het ongeval. TVM betwist echter dat de te hoge snelheid van [B] in causaal verband met het ongeval staat. De rechtbank overweegt dat, nu het overtreden van de maximumsnelheid een gedraging is waardoor gevaar voor verkeersongevallen in het algemeen wordt vergroot en dit gevaar zich heeft verwezenlijkt, het causaal verband tussen de te hoge snelheid van [B] en het ongeval in beginsel is gegeven. Het is dan ook aan TVM om te stellen en zonodig te bewijzen dat het ongeval ook zou hebben plaatsgevonden indien [B] niet te hard zou hebben gereden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij daartoe, gezien de gemotiveerde betwisting van [verzoekster] en de beschikbare getuigenverklaringen waaruit volgt dat [B] te hard heeft gereden en het ongeval (mede) heeft veroorzaakt (r.o. 2.5, 2.6. en 2.12), onvoldoende gesteld. De enkele stelling dat [verzoekster] en [A], door kort voor [B] van rijstrook te wisselen (en daar, volgens TVM, met elkaar in aanrijding te komen), het ongeval hebben veroorzaakt en dat [B] aldus met een onhoudbare situatie werd geconfronteerd doordat zijn remmogelijkheden door de invoegmanoeuvres van [verzoekster] en [A] aanzienlijk werden verkleind, is immers onvoldoende. TVM heeft namelijk niet, terwijl dit wel op haar weg had gelegen, gemotiveerd betoogd dat het causaal verband tussen het te harde rijden door [B] en de ernst en omvang van het ongeval ontbreekt. Daarvoor is vereist dat TVM met stukken onderbouwd dat de ernst en de omvang van het ongeval niet minder zou zijn geweest wanneer [B] zich wél aan de geldende snelheidsbeperking had gehouden. Zulks is gesteld, noch gebleken, zodat de rechtbank aan het verweer van TVM voorbij gaat. Dit leidt ertoe dat naar het oordeel van de rechtbank vaststaat dat de te hoge snelheid van [B] in causaal verband staat met het ontstaan van het schadegeval, zodat [B] schuld heeft aan het ontstaan van het schadegeval.

4.14.Nu is komen vast te staan dat aannemelijk is dat [verzoekster] geen schuld heeft aan het ontstaan van het schadegeval, dan wel dat het schadegeval haar niet valt toe te rekenen, terwijl aannemelijk is dat [B] schuld heeft aan het ontstaan van het schadegeval, is [verzoekster] aan te merken als schuldloze derde in de zin van de Bedrijfsregeling schuldloze derde. Het verzoek van [verzoekster] dient dus te worden toegewezen.

4.15.De rechtbank merkt ten overvloede op dat uit het bovenstaande niet volgt dat [A] ter zake van het ontstaan van het ongeval géén verwijt valt te maken. Uit de diverse getuigenverklaringen komt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate naar voren dat ook [A] schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval. Voor een beslissing op het verzoek is echter voldoende dat aannemelijk is dat één van de aangesproken partijen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval. In de onderlinge schuldverdeling tussen ABN AMRO en TVM hoeft de rechtbank op dit moment dan ook niet te treden.

Kosten

4.16.Ingevolge artikel 1019aa Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten. De kosten dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW.
4.17.Mr. Langstraat heeft aangevoerd € 5.462,17 aan kosten te hebben gemaakt. Daarbij is hij uitgegaan van een uurtarief van € 245,–, 5% kantoorkosten en 19% BTW. Mr. Langstraat heeft 3 uur in rekening gebracht voor ‘studie dossier’, 4 uur voor het opstellen van het verzoekschrift en 10 uur voor ‘voor- en nabespreking cliënt, opstellen pleitnota, zitting en reistijd’. ABN AMRO voert aan dat deze kosten niet zijn gespecificeerd en niet nader zijn onderbouwd. TVM betoogt dat het aantal in rekening gebrachte uren met minimaal 7 uren dient te worden gereduceerd. Het overleggen van een pleitnotitie was immers niet toegestaan. Bovendien zijn de kosten ten behoeve van ‘studie dossier’ reeds gemaakt ten behoeve van het voorlopig getuigenverhoor, zodat deze kosten niet nog eens vergoed behoeven te worden.

4.18.De rechtbank overweegt dat mr. Langstraat bij het verzoekschrift een beknopt overzicht heeft gegeven van de werkzaamheden die door hem in deze zaak zijn verricht. Dit overzicht geeft voldoende gespecificeerd weer hoeveel tijd aan welke verrichtingen is besteed. Gezien de aard van de zaak, komt de aan de zaak bestede tijd de rechtbank niet onevenredig voor, met uitzondering van de uren die in rekening zijn gebracht voor ‘voor- en nabespreking cliënt, opstellen pleitnota, zitting en reistijd’. Ter zitting is immers geen gebruik gemaakt van pleitnota’s. Uitgaande van een zittingsduur van 1,5 uur en een reistijd van maximaal 3,5 uur, acht de rechtbank 5 uur voor ‘voor- en nabespreking cliënt’ bovenmatig. De rechtbank zal aldus op de totale kostenbegroting van mr. Langstraat 2 uur in mindering brengen. Dat de tijd in rekening gebracht voor ‘studie dossier’ ziet op de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het voorlopig getuigenverhoor, valt zonder meer niet in te zien. Dit betekent dat de kosten worden begroot op € 4.849,91 (15 x € 245,–, vermeerderd met kantoorkosten, BTW en het door [verzoekster] betaalde griffierecht van
€ 258,–).

4.19.Nu [verzoekster] valt aan te merken als schuldloze derde in de zin van de Bedrijfsregeling schuldloze derde en ABN AMRO op grond van deze regeling, als eerst aangesproken verzekeraar, tot afwikkeling van de schade dient over te gaan (hetgeen door ABN AMRO is erkend), wordt ABN AMRO veroordeeld tot betaling van de hiervoor genoemde kosten.

5.De beslissing
De rechtbank

5.1.verklaart voor recht dat [verzoekster] als schuldloze derde is aan te merken in de zin van de Bedrijfsregeling schuldloze derde;

5.2.begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 4.849,91 (inclusief kantoorkosten en BTW) en veroordeelt ABN AMRO tot betaling van deze kosten;

5.3.wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: