Hoogte BGK vóór en tijdens deelgeschilprocedure vastgesteld. Geen kostenveroordeling, want aansprakelijkheid staat niet vast

rechtbank Amsterdam 8 maart 2012, LJN: BV8487
Deelgeschil betreft aanvankelijk aansprakelijkheid van ziekenhuis of verzekeraar (verweersters). Afgesproken tijdens mondelinge behandeling dat zaak wordt aangehouden teneinde schikking te beproeven. Onderhandelingen resulteren in overeenstemming over schadevergoeding van € 12.500,-, zonder erkenning van aansprakelijkheid. Geen overeenstemming over BGK  (eis van volledige vergoeding versus bereidheid tot vergoeding redelijke kosten). Het aanvullend verzoek houdt in dat wordt beslist over de BGK (zowel voorafgaand aan als tijdens de deelgeschilprocedure).
De rechtbank acht het door verzoeker voor de periode voorafgaand aan het deelgeschil geclaimde BGK bedrag van € 4.748,10 redelijk. Hierbij is van belang dat geen gemotiveerd verweer is gevoerd. De deelgeschilprocedure kosten worden begroot op € 7.705,09. Omdat de aansprakelijkheid niet vast staat, vindt geen veroordeling in de kosten plaats.

De rechtbank heeft het criterium redelijke kosten ingevuld. Dit dreigt verweersters (ook in relatie tot de hoofdsom) veel geld te gaan kosten. Daarnaast hebben zij zelf veel kosten moeten maken om tot dit “resultaat” te komen.

4. De beoordeling 4.1. De rechter door wie de tussenbeschikking van 25 augustus 2011 is gewezen heeft de onderhavige beschikking niet kunnen wijzen omdat zij niet meer in één van de handelsteams van de sector civiel van deze rechtbank werkzaam is.
4.2. Het verzoek van [verzoekster] leent zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. In haar oorspronkelijk verzoekschrift van 28 juli 2011 verzocht [verzoekster] in het kader van de deelgeschillenprocedure te beslissen over de vraag wie van de twee verweerders aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster]. Blijkens het proces-verbaal van behandeling van dat verzoekschrift ter zitting van 27 oktober 2011 is de zaak aangehouden teneinde partijen de gelegenheid te bieden een schikking te bereiken. Vervolgens heeft [verzoekster] een aanvullend verzoekschrift ingediend waarbij zij haar oorspronkelijk verzoek heeft gewijzigd. Uit de bij dat aanvullend verzoekschrift overgelegde email van 5 december 2011 blijkt dat [verzoekster], nadat partijen daarover na de zitting van 27 oktober 2011 verder onderhandeld hadden, weliswaar bereid is in te stemmen met betaling van € 12.500,00 tegen finale kwijting (kennelijk zonder erkenning van aansprakelijkheid), als zij daarenboven de kosten van buitengerechtelijke bijstand volledig vergoed krijgt. Over de omvang van die kosten van buitengerechtelijke bijstand hebben partijen vervolgens geen overeenstemming weten te bereiken. Een vaststellingsovereenkomst met betrekking tot zowel te vergoeden schade (in hoofdsom) als kosten van buitengerechtelijke bijstand is daardoor niet tot stand gekomen. Uit het aanvullend verzoekschrift valt op te maken dat [verzoekster] de rechtbank thans in het kader van dit deelgeschil verzoekt met betrekking tot de kosten van buitengerechtelijke bijstand een beslissing te geven. Nu partijen elkaar blijkens de email van 5 december 2001 reeds in belangrijke mate waren genaderd over een te vergoeden bedrag in hoofdsom, maar daarover geen definitieve overeenstemming hebben weten te bereiken omdat zij verdeeld bleven over te vergoeden kosten van buitengerechtelijke bijstand, kan een beslissing over die kosten bijdragen aan het alsnog totstandkomen van een vaststellingsovereenkomst. Wat is een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden verricht in de periode voorafgaand aan de deelgeschilprocedure?
4.3. [verzoekster] heeft gesteld dat voorafgaand aan de deelgeschilprocedure 15 uur aan de zaak zijn besteed, niet alleen door haar raadsman, maar ook door zijn kantoorgenote en een medisch adviseur. De kosten voor deze werkzaamheden (inclusief BTW) bedragen € 4.748,10, volgens [verzoekster].
4.4. In artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat als vermogenschade mede voor vergoeding in aanmerking komen (a) redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht, (b) redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en (c) redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, wat de kosten onder b en c betreft, behoudens voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 Rv de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn.
4.5. [verzoekster] heeft ter onderbouwing van de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten voorafgaand aan de deelgeschilprocedure specificaties van haar raadsman overgelegd (productie 13 bij het aanvullend verzoekschrift). Op die specificaties zijn de werkzaamheden van haar raadsman, zijn kantoorgenote en de medisch adviseur naar soort werkzaamheden en de daaraan bestede tijd uitgesplitst. Naar het oordeel van de rechtbank voldoen die specificaties aan de daaraan te stellen eisen. Gelet op deze op voldoende wijze gespecificeerde buitengerechtelijke kosten had het op de weg van AVL c.s. gelegen om ten aanzien van de verschillende kostenposten gemotiveerd aan te voeren waarom die niet in redelijkheid zijn gemaakt of waarom die kosten in omvang niet redelijk zijn. AVL c.s. heeft echter uitsluitend specifiek verweer gevoerd tegen de in het kader van de deelgeschilprocedure aan de zaak bestede uren en heeft in algemene zin enkel aangevoerd dat het aantal gedeclareerde uren in combinatie met het uurtarief haar te hoog voorkomt en dat zij slechts bereid is om maximaal € 5.000,00 aan buitengerechtelijke kosten te betalen. Met dit verweer heeft AVL c.s. naar het oordeel van de rechtbank de redelijkheid van de verrichte werkzaamheden en de redelijkheid van de in verband daarmee gemaakte kosten onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat dit verweer wordt gepasseerd.
4.6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat een redelijke vergoeding voor de voorafgaand aan de deelgeschilprocedure aan de zaak bestede uren een bedrag van € 4.748,10 behelst.
Wat is een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden verricht in het kader van de deelgeschilprocedure (inclusief de onderhandelingen die tijdens de aanhouding zijn gevoerd en het opstellen van dit aanvullende verzoekschrift)?
4.7. [verzoekster] heeft voorts verzocht om een beslissing te nemen op de vraag wat een redelijke vergoeding is voor de werkzaamheden verricht in het kader van de deelgeschilprocedure.
4.8. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Artikel 1019aa lid 1 Rv bepaalt dat de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt, begroot. Bij het begroten van de kosten neemt de rechtbank alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in aanmerking. In beginsel worden die kosten volledig vergoed, mits deze voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.
4.9. In het eerste verzoekschrift heeft de raadsman verzocht om de kosten tot en met de datum van de mondelinge behandeling te begroten op € 3.958,73. In het aanvullend verzoekschrift heeft de raadsman uiteengezet dat deze begroting achteraf bezien te conservatief is geweest, omdat daarna niet één, maar twee verweerschriften moesten worden bestudeerd waarin bovendien complexe stellingen zijn ingenomen over de oorzaak van de fout, de uitleg van de polisvoorwaarden van de proefpersonenverzekering en de vraag op wie in een meerpartijenverhouding de aansprakelijkheid zou moeten rusten. AVL c.s. heeft hiertegen aangevoerd dat deze extra opgevoerde uren de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Immers, [verzoekster] heeft twee partijen in deze procedure betrokken, dus haar raadsman wist dat hij niet één, maar twee verweerschriften moest bestuderen.
4.10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de specificatie (productie 13 bij het aanvullend verzoekschrift) leidt de rechtbank af dat tot en met de datum van de mondelinge behandeling niet 11,00 uur, maar 14,40 uur aan de zaak zijn besteed ter indiening en behandeling van het verzoek. Dit verschil ziet onder meer op een half uur extra dat is besteed aan de bestudering van het (tweede) verweerschrift. Hoewel de raadsman had kunnen weten dat hij niet één, maar twee verweerschriften had te bestuderen, is de rechtbank van oordeel dat dit extra half uur in redelijkheid aan de zaak is besteed. Ook de overige 2,9 uur extra die tot en met de mondelinge behandeling aan de zaak zijn besteed, acht de rechtbank redelijk. Deze uren zien blijkens de specificatie op de uren die zijn besteed aan de voorbereiding van de zitting en de extra tijd die gemoeid was met de zitting. Gelet op de complexiteit van de verweren en het feit dat er niet één maar twee verweerders zijn, is de rechtbank van oordeel dat de kosten gemoeid met de 14,40 uur die tot en met de datum van de mondelinge behandeling aan de zaak zijn besteed, in omvang redelijk zijn.
4.11. Met betrekking tot de 1,7 uur die in de periode na de mondelinge behandeling tot het moment van de start van de onderhandelingen over de schadevergoeding aan de zaak zijn besteed, is de rechtbank van oordeel dat deze uren -mede bezien in het licht van de betwisting daarvan door AVL c.s.- niet zijn aan te merken als redelijke kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW.
4.12. Nu AVL c.s. geen verweer heeft gevoerd tegen vergoeding van de 3,7 uur die in week 48 en 49 aan de zaak zijn besteed (AVL c.s. heeft te kennen gegeven bereid te zijn om die kosten te vergoeden), komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking.
4.13. De uren die in week 51 aan de zaak zijn besteed (3,5), hebben volgens [verzoekster] uitsluitend betrekking op het opstellen en verzenden van het aanvullende verzoekschrift. AVL c.s. heeft verweer gevoerd tegen begroting van deze 3,5 uur en heeft daartoe aangevoerd dat er al eerder een verzoekschrift was ingediend waarvoor de raadsman van [verzoekster] 5 uur in rekening heeft gebracht, dus dat er thans geen noodzaak bestaat om de uren voor het opstellen en verzenden van het aanvullende verzoekschrift te vergoeden. Bovendien, zo voert AVL c.s. aan, was het indienen van een aanvullend verzoekschrift niet nodig, omdat AVL c.s. zich al bereid had verklaard om € 5.000,00 te vergoeden voor buitengerechtelijk gemaakte kosten.
4.14. Dat al eerder een verzoekschrift was ingediend waar al 5 uur aan was besteed, maakt niet dat de kosten die samenhangen met het opstellen en indienen van een aanvullend en gewijzigd verzoek reeds daarom niet als redelijk zijn aan te merken, nu het aanvullende verzoekschrift zag op de nieuw ontstane situatie na behandeling van het eerste verzoek ter zitting. Ook het feit dat AVL c.s. bereid was om € 5.000,00 te betalen ter vergoeding van buitengerechtelijk gemaakte kosten leidt niet tot een ander oordeel, nu [verzoekster] zich niet kon vinden in de hoogte van dit bedrag en dit nu juist de kern van onderhavig deelgeschil betreft.
4.15. De rechtbank acht de kosten gemoeid met de uren die in het kader van de deelgeschilprocedure aan de zaak zijn besteed, met uitzondering van de hiervoor genoemde 1,7 uur, dan ook in redelijkheid gemaakt en in omvang redelijk. De raadsman van [verzoekster] heeft onderbouwd aangegeven hoe zijn uurtarief van € 297,00 tot stand is gekomen. Dit tarief komt de rechtbank mede gelet op de complexiteit van de zaak niet onredelijk hoog voor, ook niet indien het in relatie wordt gezien tot het aantal uren.
4.16. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv begroten op een bedrag van (21,60 uur x € 297,00 + 19% BTW + griffierecht à € 71,00 =) € 7.705,09.
4.17. Nu de aansprakelijkheid van AVL c.s. niet vast staat, wijst de rechtbank het verzoek van [verzoekster] om AVL c.s. te veroordelen in de kosten, af.
5. De beslissing De rechtbank
5.1. stelt als redelijke vergoeding voor de werkzaamheden verricht in de periode voorafgaand aan de deelgeschilprocedure een bedrag van € 4.748,10 vast,
5.2. begroot de kosten van [verzoekster] als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op een bedrag van € 7.705,09 (zevenduizendzevenhonderdenvijf euro en negen cent),
5.3. wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.C. van Harmelen en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2012.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: