Ziekenhuis aansprakelijk voor delay. Causaal verband tussen letsel en delay staat echter niet vast.

rechtbank Dordrecht 15 februari 2012, LJN: BV3577
Verzoekster is met aanhoudende klachten over verstuikte voet door huisarts verwezen naar het door verweerster geëxploiteerde ziekenhuis. Aldaar is door chirurg gips aangebracht. Na enkele vervolgconsulten is verzoekster verwezen naar neuroloog. Die stelt beschadiging van de nervus peroneus rechts vast, waarvoor verweerster aansprakelijk is gesteld.
Verzoekster wil een beslissing over de schuldvraag en dat wordt geoordeeld dat verweerster aansprakelijk is voor de schade. Verweerster betwist feitelijke gang van zaken behandeling, dat onjuist is gehandeld en causaal verband tussen behandeling en letsel.
Voor de gang van zaken tijdens het betreffende consult grijpt de rechtbank terug op hetgeen door verzoekster, haar echtgenoot en de chirurg is verklaard tijdens voorlopig getuigenverhoor. Hiermee is voor de rechtbank bewezen dat verzoekster heeft geklaagd over een dood en koud gevoel in de voet. Gelet op het rapport van de door partijen ingeschakelde deskundige betekent dit dat er sprake is van een delay in het onderkennen en reageren op de pijnklachten. Verweerster is dus uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming aansprakelijk voor de schade naar aanleiding van deze fout. Hiermee staat causaal verband tussen deze tekortkoming en het letsel echter niet vast. De kosten van het deelgeschil worden begroot.

Er is nu wel geoordeeld over de (belangrijke) feitelijke toedracht van het betreffende consult, maar op basis van de beschikbare gegevens kon de rechtbank niet oordelen over causaliteit. De rechtbank geeft een zinvolle suggestie hoe partijen hier een vervolg aan kunnen geven. Als zij dat zelf eerder hadden gedaan, zou dit geschil wellicht niet nodig zijn geweest…

5.  De beoordeling van het geschil
Deelgeschil?
5.1.  In de eerste plaats houdt partijen verdeeld de vraag of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in de artikelen 1019w–1019cc Rv.

5.1.1.  De rechtbank overweegt dat de deelgeschilprocedure volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel– en overlijdensschade (hierna: de Wet Deelgeschillen) betrokkenen bij een geschil over letsel– en overlijdensschade de mogelijkheid biedt in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 2). In de memorie van toelichting is voorts vermeld dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Net als bij andere deelgeschillen zal de rechter zich ook dan moeten afvragen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 10).

5.1.2.  Dat na een beslissing op een deelgeschilverzoek een vaststellingsovereenkomst niet (direct) binnen handbereik ligt en er daarna nog verder zal moeten worden onderhandeld en/of nader onderzoek nodig zal zijn en/of zelfs nog één of meer deelgeschilprocedures nodig zijn, is geen beletsel. De wetgever heeft namelijk de mogelijkheid onder ogen gezien dat meerdere deelgeschilprocedures moeten worden gevoerd. Overigens betreft de aansprakelijkheidsvraag een geschil aan het begin van het traject van de minnelijke onderhandelingen en een oordeel van de rechtbank over de aansprakelijkheidsvraag zou, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, buitengerechtelijke onderhandelingen op gang kunnen brengen. Het verzoek leent zich derhalve naar het oordeel van de rechtbank voor behandeling als deelgeschil.

Het consult op 15 maart 2006
5.2.  [verzoekster] verwijt [dr. A] dat hij tijdens de eerste controle op 15 maart 2006 niet heeft onderzocht of er iets “kapot” was zoals zij het toen – naar als onbetwist vaststaat – verwoordde. Rivas heeft daartegen aangevoerd dat [dr. A] volgens het expertiserapport van [dr.B] op 15 maart 2006 adequaat heeft gereageerd op de klachten van [verzoekster]. Hij heeft het gips verwijderd, de enkel onderzocht die een roodheid aan de buitenzijde bleek te hebben en vervolgens een extra gewatteerd gips laten aanbrengen (alinea 51 van het verweerschrift). Nu op dit punt inderdaad geen verwijt aan [dr. A] in het rapport van [dr.B] valt te lezen en [verzoekster] hierop tijdens de mondelinge behandeling ook niet is teruggekomen, kan niet worden geoordeeld dat [dr. A] hier is tekort geschoten en is het verzoek op die grondslag niet toewijsbaar.

De feiten betreffende het consult op 24 maart 2006
5.3.  Tussen partijen is verder in geschil de feitelijke gang van zaken tijdens het consult van 24 maart 2006 en in het bijzonder de vraag of [verzoekster] toen klachten heeft geuit. De rechtbank zal dit aan de hand van de normale bewijsregels beoordelen. Het is dus de vraag of kan worden geoordeeld dat [verzoekster]’s stellingen dienaangaande bewezen kunnen worden geacht. De rechtbank zal daartoe hierna het beschikbare bewijs en de relevante feiten en omstandigheden beoordelen.

5.3.1.  [verzoekster] heeft volgens het van het voorlopig getuigenverhoor opgemaakte proces-verbaal als getuige onder meer het volgende verklaard: “(…) In de dag erna [de dag na 16 maart 2006, waarover [verzoekster] daarvoor verklaarde, toevoeging rechtbank] voelde mijn been wat koud aan en ben ik met de föhn in de weer geweest. Op 24 maart had ik weer een afspraak bij [dr. A] in Gorinchem (…). Hij vroeg mij hoe het met de pijn ging. Daarop heb ik geantwoord dat ik weinig voelde en mij zorgen maakte om het koude gevoel. Hij zei dat ik goed moest lopen. Het was loopgips en dan zou mijn voet wel weer warm worden. Mijn man, die meegekomen was, heeft gevraagd of het wel goed was dat met die föhn. Daar werd eigenlijk niet op gereageerd. (…). Het hele bezoek heeft volgens mij maar een minuut geduurd want [dr. A] had haast. Zo heb ik het ervaren, warrig en haastig, terwijl hij de keer daarvoor spraakzamer was (…).”

5.3.2.  De echtgenoot van [verzoekster] heeft volgens het van het voorlopig getuigenverhoor opgemaakte proces-verbaal als getuige onder meer het volgende verklaard:
“(…) Op 24 maart hadden we een afspraak bij [dr. A]. Ik was toen weer met mijn vrouw mee. Het was een hele vluchtige controle. [dr. A] vroeg toen hoe gaat het? Mijn vrouw heeft toen gezegd: ‘Ik voel weinig.’ Ik ben toen een beetje boos geworden want mijn vrouw had zo’n koud been en zulke koude tenen dat zij het been en de tenen met de föhn opwarmde. Ik heb [dr. A] toen gevraagd ‘is het normaal dat dat been zo koud is’. [dr. A] antwoordde daarop dat dat kwam omdat het been niet belast werd en dat mijn vrouw moest gaan lopen want dan werd het vanzelf warm. Daarop raakte ik geïrriteerd en zei: ‘Hoe zo lopen, ze kan er amper op staan.’ [dr. A] was snel weg ik kreeg niet eens een antwoord. (…).”

5.3.3.  [verzoekster] zou in een bodemprocedure weliswaar hebben te gelden als partij-getuige in de zin van artikel 164 Rv, echter in de (gedetailleerde) verklaring van haar echtgenoot acht de rechtbank aanvullend bewijs voorhanden dat zodanig sterk is en zodanige essentiële punten betreft dat zij de (eveneens gedetailleerde) partijverklaring van [verzoekster] voldoende geloofwaardig maakt. De rechtbank betrekt daarbij de volgende, in 5.3.4 tot en met 5.3.7 te bespreken omstandigheden.

5.3.4.  Uit de door [verzoekster] overgelegde – onbestreden gebleven – KPN-gespreks-specificatie blijkt dat zij op 16 maart 2006 drie keer en op 17 maart 2006 twee keer met het Ziekenhuis heeft gebeld, hetgeen onderstreept dat zij klachten had. Een patiënt zal immers niet zonder noodzaak vijf keer in twee dagen tijd met het ziekenhuis bellen.

5.3.5.  [verzoekster] heeft ter zitting een foto heeft getoond die haar man – naar onbetwist is gebleven – heeft gemaakt op 19 maart 2006 (dat zou volgens haar op een zondag zijn geweest, hetgeen bij bestudering van een kalender van 2006 juist blijkt te zijn), waarop [verzoekster] zittend op de bank te zien is met in de hand een op haar onderbeen gerichte föhn.

5.3.6.  [verzoekster] heeft zich van aanvang aan (in de correspondentie) op het standpunt gesteld dat zij klachten heeft geuit. In de eerste brief van haar raadsman van 7 juli 2006 (de laatste brief van productie 2 bij verzoekschrift) – dus ongeveer 3,5 maand na de gewraakte controle op 24 maart 2006 – staat immers: “Intussen heeft cliënte aangegeven dat haar been dood en koud aanvoelde. Volgens dr. [dr. A] was dit het gevolg van inactiviteit. Met het lopen zouden deze klachten vanzelf moeten verdwijnen.”

5.3.7.  [verzoekster] heeft ook bij chirurg [dr.B], die op 24 mei 2007 met haar heeft gesproken in het kader van een door partijen in onderling overleg afgesproken expertise, hetzelfde verklaard: “Bij de controle op 24 maart 2006 zou zij al aangegeven hebben dat het been doof aanvoelde en koud was. ‘Ik moest het been met een föhn warm maken.’ Op 24 maart 2006 zou op deze klachten van haar alleen geruststellend zijn gereageerd.”

5.3.8.  De in 5.3.4 tot en met 5.3.7 overwogen omstandigheden sluiten aan bij de stellingen van [verzoekster] over hetgeen is gezegd tijdens de controle van 24 maart 2006. De verklaringen van [verzoekster] en haar echtgenoot leveren – in onderling verband en samenhang èn in het licht van deze omstandigheden bezien – het bewijs dat zij op 24 maart 2006 tegen [dr. A] heeft gezegd dat zij weinig voelde en dat zij zich zorgen maakte over het koude gevoel en dat haar man aan [dr. A] heeft verteld dat zij met een föhn had geprobeerd haar been op te warmen.

5.4.  Rivas betwist weliswaar dat [verzoekster] en haar echtgenoot op 24 maart 2006 klachten hebben geuit, echter hetgeen zij in dat verband aanvoert legt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.4.1.  [dr. A] heeft volgens het van het voorlopig getuigenverhoor opgemaakte proces-verbaal als getuige onder meer het volgende verklaard: “(…) Ik kan mij van het bezoek van [verzoekster] [=[verzoekster], toevoeging rechtbank] weinig meer herinneren. Natuurlijk heb ik wel wat informatie uit de gevoerde correspondentie, maar die zat ook nog in mijn geheugen. Ik zie iedere week zo’n 100 patiënten, alleen al op de polikliniek. Ik heb voor een controlepatiënt 5 minuten en voor een nieuwe patiënt 10 minuten. (…). Het volgende bezoek (…) heeft plaatsgevonden (…) ik vermoed op de 23e of 24e maart 2006. Uit de woorden van [verzoekster] maakte ik op dat het nu goed ging.” Even verderop in het proces-verbaal valt echter te lezen dat [dr. A] als getuige ook heeft verklaard: “(…) Ik kan mij niet herinneren dat [verzoekster] op 24 maart heeft opgemerkt dat zij zich morgen maakt over het koude gevoel. Ik kan mij ook niet herinneren of er iemand bij was. Ik kan mij ook niet herinneren of meneer Pouw een opmerking heeft gemaakt over het gebruik van een föhn om het been op te warmen. (…).”

5.4.2.  Niet duidelijk wordt waaraan [dr. A] de hiervoor aangehaalde passage “Uit de woorden van [verzoekster] maakte ik op dat het nu goed ging.” ontleent. Immers, uit de verdere verklaring, zoals hiervoor geciteerd, blijkt dat hij zich weinig van het bezoek van [verzoekster] op 24 maart 2006 kan herinneren. Het ligt voor de hand dat [dr. A] de wetenschap die hij wèl zegt te hebben, heeft ontleend aan het patiëntendossier waar (kennelijk) bij de datum 24 maart 2006 is geschreven: “gaat nu goed. C 2 w + gips eraf.” Gelet op de verklaringen van [verzoekster] en haar echtgenoot en hetgeen daarover hiervoor is overwogen, kan aan dit dossier niet de betekenis worden gehecht die Rivas wil. Het moge zo zijn dat de brief van [dr. A] van 2 mei 2006 aan de neuroloog (onderdeel van productie 3 bij verzoek-schrift), waarin hij schrijft dat [verzoekster] aanvankelijk veel pijnklachten had maar dat het later beter ging, overeenkomt met de weergave in het medisch dossier, maar daaraan kan dus niet de door Rivas voorgestane betekenis worden toegekend.

Toerekenbare tekortkoming?
5.5.  De door partijen gezamenlijk aangezochte chirurg [dr.B] doet in zijn rapport (terecht) geen uitspraak over de vraag wat er tijdens de controleafspraak van 24 maart 2006 is gezegd. Wel is hij in zijn rapport duidelijk over de vraag of sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [dr. A] (en dus van het Ziekenhuis) in het geval de stellingen van Rivas worden gevolgd over het bezoek van 24 maart 2006 en in het geval de stellingen van [verzoekster] over het bezoek van 24 maart 2006 worden gevolgd, zoals blijkt uit de navolgende citaten.

5.6.  In de tweede en derde alinea van Blad IV schrijft [dr.B]:
“(…) Wanneer men zich baseert op de aantekening in het medisch dossier van de behandelaar zijn er geen verwijtbare tekortkomingen. Immers het behandelen van een enkeldistorsie met een onderbeens loopgips is niet in strijd met de richtlijnen van de beroepsvereniging. Polikliniekcontroles worden op redelijke termijn afgesproken. Zodra patiënte klachten aangeeft passend bij een mogelijk te strak gips worden adequate maatregelen genomen. Wanneer in een dergelijke situatie toch een peroneus uitval ontstaat is dit niet verwijtbaar.
Echter de weergave van [verzoekster] is een andere. Zij stelt dat op 16 maart het gipsverband dat een dag eerder was aangelegd vervangen moest worden omdat het “te los” zat. Verder geeft zij aan [dat zij, toevoeging rechtbank] op 24 maart wel degelijk klachten heeft gemeld: er zou een doof gevoel bestaan in de voet. Het been zou zo koud aangevoeld hebben dat zij het met een föhn moest opwarmen. Noch over de 2e gipswissel op 16 maart en evenmin over de klachten van 24 maart zijn aantekeningen in het dossier terug te vinden. Wanneer men zich baseert op de weergave van [verzoekster] zijn er wel verwijtbare tekortkomingen geweest, m.n. tijdens het consult op 24 maart die de basis zouden kunnen zijn voor de opgetreden peroneus uitval. (…).”

5.7.  Op Blad V, onder “Samenvattend”, schrijft [dr.B] nog het volgende:
“(…) Gebaseerd op de aantekeningen in het medisch dossier is er geen sprake van verwijtbare nalatigheid in de diagnostiek en behandeling. Er bestaat tussen de partijen geen discussie over de diagnose ‘enkeldistorsie’. Vanwege de door [verzoekster] aangegeven pijnklachten ondanks de door de huisarts ingestelde behandeling met drukverband/tape werd gekozen voor onderbeengips. Zodra patiënte pijnklachten aangaf tijdens deze behandeling is het gips vervangen. Echter wanneer de lezing van [verzoekster] gevolg wordt is er wel degelijk sprake van delay in het onderkennen en reageren op de pijnklachten.”

5.8.  Tot slot schrijft [dr.B] op Blad VI onderaan nog:
“(…) Tijdens de behandeling van deze klachten ontstaat er een partiële peroneus uitval, waarschijnlijk door compressie in een onderbeensloopgips. (…) Alleen het ontstaan van de peroneus uitval is mogelijk gerelateerd aan de behandeling. (…).”

5.9.  Hierbij wordt nog aangetekend dat Pahplatz spreekt over een door [verzoekster] tijdens het consult van 24 maart 2006 vermeld “doof gevoel”. De rechtbank veronderstelt dat hij daarmee bedoelt: een dood gevoel. De rechtbank maakt het oordeel van [dr.B] tot het hare en oordeelt dat [dr. A] toerekenbaar tekort is geschoten door de door [verzoekster] op 24 maart 2006 geuite klachten over weinig gevoel en over een dood en koud gevoel niet te onderkennen en daarop niet te reageren (in plaats van direct een EMG te laten maken en/of haar direct naar de neuroloog door te sturen). In zoverre ligt het verzoek als na te melden voor toewijzing gereed.

Causaal verband?
5.10.  Partijen twisten verder over het causaal verband. Volgens [verzoekster] is het zenuwletsel ontstaan doordat [dr. A] tijdens het consult van 24 maart 2006 niet heeft gereageerd op haar klachten over weinig gevoel en over een dood en koud gevoel, hetgeen Rivas betwist. Rivas voert in dat verband aan dat het zenuwletsel ook kan zijn ontstaan bij de valpartij.

5.11.  De rechtbank kan de vraag naar het causaal verband in dit deelgeschil niet afdoende beantwoorden. Weliswaar geeft het rapport van [dr.B] aanleiding te veronderstellen dat het causaal verband er (mogelijk) is. Hij schrijft immers aan het slot van de derde alinea van Blad IV: “Wanneer men zich baseert op de weergave van [verzoekster] zijn er wel verwijtbare tekortkomingen geweest, m.n. tijdens het consult op 24 maart die de basis zouden kunnen zijn voor de opgetreden peroneus uitval. (…)” en op Blad VI onderaan:
“(…) Tijdens de behandeling van deze klachten ontstaat er een partiële peroneus uitval, waarschijnlijk door compressie in een onderbeensloopgips. (…) Alleen het ontstaan van de peroneus uitval is mogelijk gerelateerd aan de behandeling. (…).”
Uit zijn rapport wordt echter niet duidelijk of [dr.B] de mogelijkheid onder ogen heeft gezien dat het zenuwletsel het gevolg is van de val zelf (en dus niet van de toerekenbare tekortkoming van [dr. A] erin bestaande dat hij de op 24 maart 2006 door [verzoekster] geuite klachten niet heeft onderkend), hetgeen op zich zelf wel mogelijk is. Rivas heeft immers op deze mogelijkheid gewezen in alinea 44 van haar verweerschrift onder verwijzing naar een promotie-onderzoek uit 1997, welke mogelijkheid ter zitting door [dr. A] nader is toegelicht.

5.12.  De rechtbank geeft partijen in overweging om chirurg [dr.B] deze vraag alsnog voor te leggen. Het feit dat [dr.B] na het tot standkomen van zijn deskundigenbericht door [dr. A] over deze mogelijke oorzaak van het letsel is aangesproken, maakt niet dat hij deze vraag niet naar behoren zou kunnen beantwoorden. Indien daaruit blijkt dat [dr.B] de mogelijkheid onder ogen heeft gezien dat het zenuwletsel is of kan zijn veroorzaakt door de val zelf en hij deze mogelijkheid heeft uitgesloten, staat daarmee het causaal verband vast op grond van hetgeen hiervoor uit het rapport van [dr.B] is geciteerd. Indien echter uit beantwoording van de vraag door [dr.B] blijkt dat hij deze mogelijkheid niet onder ogen heeft gezien, zal de vraag naar het causaal verband tussen het zenuwletsel en de toerekenbare tekortkoming van [dr. A] nader (en in volle omvang) moeten worden onderzocht. De rechtbank geeft partijen daarbij in overweging om hierover gezamenlijk een deskundige te benaderen zoals zij bij het raadplegen van [dr.B] al hebben gedaan.

Bewijsaanbod
5.13.  Het door Rivas gedane bewijsaanbod wordt als niet ter zake doende gepasseerd. Ten aanzien van de (eventueel voor bewijs vatbare) feiten betreft het geschil of [verzoekster] tijdens de controle van 24 maart 2006 klachten (over weinig gevoel en over een dood en koud gevoel) heeft geuit. De daarbij aanwezige personen – [verzoekster], haar echtgenoot en [dr. A] – zijn reeds in het kader van een voorlopig getuigenverhoor gehoord. Waarom deze getuigen nogmaals zouden moeten gehoord en wat zij daarbij meer of anders ten aanzien van de feiten zouden kunnen verklaren, heeft Rivas niet onderbouwd. Evenmin heeft Rivas aangegeven in welk opzicht de getuigenverklaringen van andere artsen en betrokken assistenten en verpleegkunde(n) relevant zouden kunnen zijn.

Kostenbegroting
5.14  De rechtbank acht het aantal uren dat de advocaat van [verzoekster] stelt te hebben gemaakt (17,83 uur) en het door hem gehanteerde uurtarief (€ 255,–) niet onredelijk. De kosten zullen dan ook, inclusief vastrecht, worden begroot op € 5.936,04.

6.  De beslissing

de rechtbank:

in het deelgeschil

oordeelt dat Rivas jegens [verzoekster] uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming aansprakelijk is voor de (letsel)schade die zij heeft geleden en nog zal lijden naar aanleiding van de foutieve behandeling die zij op 24 maart 2006 onderging in het Beatrix Ziekenhuis;

begroot de kosten van [verzoekster] in dit deelgeschil op € 5.936,04;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouter, Lecluse-De Bruijn en Van Wassenaer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2012

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: