Toedracht aanrijding niet vast te stellen in kader deelgeschil: verzoek afgewezen (met begroting kosten)

rechtbank Rotterdam 8 februari 2012, LJN: BV3328
Verzoeker heeft als motorrijder aanrijding gehad met bij Unigarant (verweerster) verzekerde auto. Het verzoek strekt ertoe voor recht te verklaren dat verweerster gehouden is de volledige schade te vergoeden, met begroting en veroordeling van de kosten van dit geschil. De toedracht van het ongeval en in het verlengde daarvan de aansprakelijkheid wordt betwist.
De rechtbank kan thans onvoldoende feiten vaststellen, die van belang zijn voor het beantwoorden van de aansprakelijkheidsvraag en – in het verlengde daarvan – de omvang van de schadevergoedingsplicht. Hiervoor is  uitgebreide bewijsvoering noodzakelijk. De bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst weegt niet op tegen de kosten en het tijdsverloop van deze deelgeschilprocedure. Het verzoek wordt afgewezen, met betroting van de kosten.

De afwijzing van het verzoek is gezien de onenigheid over de toedracht van het ongeval niet verrassend.  Het ware verstandig geweest om de energie van deze deelgeschilprocedure meteen te stoppen in een voorlopig getuigenverhoor, waartoe verweerster een week nadat het verzoek was ingediend (alsnog) het initiatief heeft genomen.

4.  De beoordeling
4.1.  [verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen.
Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade.4.2.  [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat [persoon 1] onmiddellijk voorafgaande aan de aanrijding van rijstrook is gewisseld en dus een bijzondere manoeuvre verrichtte. In artikel 54 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (Rvv) is bepaald dat bestuurders die een bijzondere manoeuvre verrichten het overige verkeer voor moeten laten gaan. Nu [persoon 1] [verzoeker] niet voor heeft laten gaan – en aldus een verkeersfout heeft gemaakt – is Unigarant als WAM-verzekeraar van [persoon 1] aansprakelijk voor de schade die [verzoeker] als gevolg hiervan heeft geleden.

4.3.  Unigarant stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, althans prematuur is ingediend. Subsidiair stelt Unigarant zich op het standpunt dat [persoon 1] niet van rijstrook is gewisseld, althans dat van een verkeersfout van [persoon 1] geen sprake is. Meer subsidiair stelt Unigarant zich op het standpunt dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker].

4.4.  Hetgeen partijen in de onderhavige procedure – in essentie – verdeeld houdt betreft de vraag of Unigarant aansprakelijk is voor de gevolgen van het [verzoeker] overkomen ongeval van 23 maart 2009 en, in het verlengde daarvan, de omvang van de vergoedingsplicht van Unigarant. In dat kader twisten partijen over de toedracht van het ongeval, in het bijzonder de positie van de Volvo V50 en de snelheid waarmee [verzoeker] zou hebben gereden onmiddellijk voorafgaande aan de aanrijding.

4.5.  De deelgeschilprocedure kan worden gevoerd over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen partijen rechtens geldt ter zake van aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel in gevallen dat de beëindiging van dat geschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou zijn ingesteld indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat een dispuut over de aansprakelijkheidsvraag en, in het verlengde daarvan, de omvang van de vergoedingsplicht op zich een deelgeschil betreft.

4.6.  Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, toetst de rechter ingevolge artikel 1019z Rv of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Ofschoon duidelijk is dat nog de nodige stappen gezet moeten worden, ziet de rechtbank voldoende mogelijkheden voor partijen om na haar beslissing het buitengerechtelijke onderhandelingstraject voort te zetten. Dat dit niet direct tot een vaststellingsovereenkomst zal leiden, is niet doorslaggevend. Van belang is immers dat de verzochte beslissing een voldoende bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst – en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling – en dat is naar het oordeel van de rechtbank hier het geval.

4.7.  Dat partijen ‘slechts’ discussie hebben gevoerd over de toedracht van het ongeval en de daarmee samenhangende aansprakelijkheid en vergoedingsplicht en op geen enkele wijze hebben gesproken over de weg die partijen dienen in te gaan om tot een schaderegeling te komen, maakt het voorgaande niet anders. Het geschil tussen partijen over de aansprakelijkheid betreft immers een geschil aan het begin van het minnelijk onderhandelingstraject, hetgeen in zijn algemeenheid met zich mee zal brengen dat – zolang over de aansprakelijkheidsvraag nog geen overeenstemming is bereikt – geen (noemenswaardige) onderhandelingen over de vergoeding van schade zijn gevoerd. De rechtbank overweegt dat gelet op de stellingen van partijen vaststaat dat de discussie tussen partijen over de toedracht van het ongeval en de daarmee samenhangende aansprakelijkheid en vergoedingsplicht in een impasse is geraakt en dat een oordeel van de rechtbank hierover in beginsel voldoende perspectief biedt op een buitengerechtelijke beslechting van het geschil. Het stelt partijen in elk geval in staat een (efficiënte) vervolgstap te zetten, mogelijk in de richting van een vaststellingsovereenkomst. Daarbij komt dat partijen op de zitting te kennen hebben gegeven op zichzelf bereid te zijn tot het voeren van (verdere) buitengerechtelijke onderhandelingen.

4.8.  Een en ander neemt niet weg dat de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren moet opwegen tegen de kosten en het tijdsverloop van de deelgeschilprocedure. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan leveren. Het is in dat kader dat tussen partijen in geschil is of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

4.9.  Unigarant voert daartoe aan dat het voor de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag en, in het verlengde daarvan, de omvang van de vergoedingsplicht, van belang is dat eerst de juiste toedracht van het ongeval wordt vastgesteld en dat, nu Unigarant de door [verzoeker] gestelde toedracht van het ongeval gemotiveerd heeft betwist, op dit punt nadere bewijsvoering noodzakelijk is. Gelet daarop heeft Unigarant op 23 november 2011 de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. De behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op 31 januari 2012 te 10.30 uur.

4.10.  [verzoeker] is van oordeel dat de feiten voldoende bekend zijn. De politie heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval en deze toedracht geanalyseerd (VOA). Ook zijn door de politie kort na het ongeval diverse getuigen gehoord. Het is, mede gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk dat een verhoor van de getuigen thans nog nieuwe, betrouwbare feiten zal opleveren die een ander beeld opleveren dan dat thans op basis van de beschikbare stukken gevormd kan worden. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat het zeer moeilijk is voor getuigen om de snelheid van andere weggebruikers in te schatten, aldus [verzoeker].

4.11.  Vooropgesteld wordt dat op [verzoeker] de stelplicht en – in voorkomend geval – de bewijslast rust van de beweerde verkeersfout van [persoon 1]. Op Unigarant rust de stelplicht en – in voorkomend geval – de bewijslast van haar beroep op eigen schuld aan de zijde van [verzoeker].

4.12.  In het geschil tussen partijen staat centraal de vraag of het ongeval is veroorzaakt door een verkeersfout van de verzekerde van Unigarant, [persoon 1]. Voor de beantwoording van de vraag of [persoon 1] een verkeersfout heeft gemaakt, dient de rechtbank eerst te beoordelen wat de toedracht van het ongeval is geweest. Partijen zijn op een aantal punten verdeeld over de toedracht van het ongeval. [verzoeker] stelt in dit verband dat [persoon 1] onmiddellijk voorafgaande aan de aanrijding van rijstrook is gewisseld. Unigarant heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door [verzoeker] gestelde toedracht van het ongeval.

4.13.  Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] voldoende gesteld om voorshands schending van artikel 54 Rvv aan te nemen. Uit de overgelegde stukken, in het bijzonder de VOA (deels weergegeven onder 2.3.) en de door de getuigen afgelegde verklaringen (deels weergegeven onder 2.4.), is weliswaar niet onomstotelijk gebleken dat [persoon 1] met zijn auto de middenas van de weg heeft overschreden, doch wel dat [persoon 1] onmiddellijk voorafgaande aan de aanrijding naar links heeft gestuurd met de bedoeling om van rijstrook te wisselen. Op die wijze heeft [persoon 1] een in artikel 54 Rvv bedoelde bijzondere manoeuvre ingezet, die hij pas had mogen inzetten indien hij zich ervan had vergewist of er geen ander verkeer was dat hij voor moest laten gaan, waartoe artikel 54 Rvv hem verplicht. Een en ander neemt niet weg dat het Unigarant vrij staat om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [persoon 1] onmiddellijk voorafgaande aan de aanrijding een bijzondere manoeuvre heeft ingezet, zonder zich er tevoren van te vergewissen of er geen ander verkeer was dat hij moest laten voorgaan, hetgeen zij, naar zij ter zitting te kennen heeft gegeven, ook wenst te doen.

4.14.  Voor het geval komt vast te staan dat het ongeval is veroorzaakt door een verkeersfout van [persoon 1], beroept Unigarant zich op eigen schuld aan de zijde van [verzoeker], daarin bestaande dat hij met te hoge snelheid heeft gereden. [verzoeker] heeft dit gemotiveerd betwist. Gezien de gemotiveerde betwisting door [verzoeker] is het aan Unigarant om bewijs te leveren van haar stelling dat [verzoeker] met te hoge snelheid heeft gereden, hetgeen zij, naar zij ter zitting te kennen heeft gegeven, ook wenst te doen. In dit kader is van belang dat [verzoeker] een gedraging in het verkeer heeft verricht die hij uit oogpunt van verkeersveiligheid alleen dan mocht verrichten als hij daarmee geen onevenredig gevaar of hinder voor het overige verkeer zou veroorzaken. Het met een motor tussen twee rijstroken inhalen van langzaam rijdend dan wel stilstaand verkeer op een drukke autosnelweg is immers een verkeersgedraging waaraan zekere risico’s kleven en die in beginsel in relevante mate gevaarzettend kan worden beschouwd. Van de bestuurder van de motor mag dan ook een grote mate van oplettendheid worden verwacht en voorts dat hij ervoor zorgdraagt dat het snelheidsverschil tussen de motor en de in te halen auto’s beperkt blijft om de risico’s zo te minimaliseren.

4.15.  Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de rechtbank op dit moment onvoldoende feiten, die van belang zijn voor het beantwoorden van de aansprakelijkheidsvraag en, in het verlengde daarvan, de omvang van de vergoedingsplicht vast kan stellen. Hiervoor zal naar het zich laat aanzien (uitgebreide tegen-) bewijsvoering noodzakelijk zijn. Unigarant heeft te kennen gegeven niet alleen de betrokkenen, maar ook de verbalisanten als getuigen te willen doen horen en tevens een verkeersongevallenanalyse door een daarin gespecialiseerde deskundige te willen laten verrichten. Van een snelle beslissing zal dan ook geen sprake kunnen zijn.

De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van deze deelgeschilprocedure. Het verzoek zal daarom op grond van het bepaalde in artikel 1019z Rv worden afgewezen.

4.16.  In het verzoekschrift verzoekt [verzoeker] (ook) veroordeling van Unigarant in de kosten van de procedure. Dit zal worden afgewezen omdat in dit deelgeschil niet is vast komen te staan dat Unigarant aansprakelijk is voor de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt evenwel dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de rechtbank de kosten van de procedure dient te begroten en dat dit alleen anders is indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Dat van deze situatie sprake is, is gesteld noch gebleken. Dat het verzoek is afgewezen omdat het zich mede gelet op het gevoerde verweer niet leent voor de behandeling in een deelgeschil, betekent niet dat het indienen van het verzoekschrift en het maken van de daarmee gepaard gaande kosten in dit geval onredelijk was. Mede tegen de achtergrond van het nu in deelgeschil gevoerde partijdebat over de voor aansprakelijkheid en, in het verlengde daarvan, de omvang van de vergoedingsplicht van belang zijnde feiten, kan het door [verzoeker] ingediende verzoekschrift niet als bij voorbaat volstrekt onnodig of kansloos worden beschouwd.

4.17.  De rechtbank overweegt dat de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Of het redelijke kosten zijn, hangt af van de vraag of het redelijk is dat die kosten zijn gemaakt én of de hoogte van deze kosten redelijk is. Dat het maken van de kosten redelijk is acht de rechtbank evident, gelet op het vastlopen van de onderhandelingen.

4.18.  Bij het verzoekschrift heeft mr. Meijer een specificatie gevoegd van de tot het moment van het indienen van het verzoekschrift gemaakte kosten, die EUR 1.862,59 bedragen (6,42 uren x EUR 230,= exclusief 6% kantoorkosten en 19% BTW). Die kosten komen de rechtbank redelijk voor. De met de verdere behandeling van de zaak gemoeide kosten, waaronder de tijd besteed aan het bijwonen van de mondelinge behandeling ter zitting en het opstellen van pleitaantekeningen, zullen door de rechtbank worden begroot op EUR 700,=, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van EUR 258,=, in totaal dus EUR 2.820,59.

5.  De beslissing
De rechtbank

5.1.  wijst het verzoek van [verzoeker] af;

5.2.  begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op EUR 2.820,59;

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2012.
 

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: