Aansprakelijkheid erkend: kosten te verrichten deskundigenonderzoek voor verweerders. Bgk claim buitenproportioneel.

rechtbank Rotterdam 1 februari 2012, LJN: BV2500
Bij neusoperatie is bij verzoekster operatiemateriaal achtergebleven. Aansprakelijkheid voor te late verwijdering materiaal erkend door verweerders, die betwisten dat schade is. Partijen zijn het erover eens dat het in de rede ligt dat door deskundige (KNO-arts) onderzoek wordt verricht naar het causaal verband tussen ongeval, klachten en schade. Deelgeschil betreft de vraag wie kosten van onderzoek moet dragen en aanvullende bevoorschotting buitengerechtelijke kosten (bgk).
Beide kwesties lenen zich volgens rechtbank voor deelgeschilbehandeling. Aangezien aansprakelijkheid is erkend, komen de kosten van het deskundigenonderzoek voor rekening van verweerders. Er zijn in dit geval geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen. De omvang van de bgk is in het licht van de verrichte werkzaamheden buitenproportioneel, waarbij ook van belang is dat de omvang van de schade niet (bij benadering) kan worden geschat. Bijna de helft van het verzochte bedrag wordt afgewezen. Bij het begroten van de deelgeschilprocedure kosten wordt de tijdsduur danig beperkt.

Het is zonde van tijd, moeite en geld dat partijen deze kwesties in een deelgeschilprocedure aan de orde hebben gesteld.

3.  Het geschil
3.1.  Het verzoek, zoals dat uit het verzoekschrift is af te leiden en ter zitting en in nadere correspondentie is toegelicht, strekt er – samengevat en zakelijk weergegeven – toe:
1.  het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] te veroordelen in de kosten van een nader deskundigenonderzoek door een KNO-arts;
2.  het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] te veroordelen tot (aanvullende) bevoorschotting van buitengerechtelijke kosten;
een en ander onder begroting van de redelijke kosten van het onderhavige geschil.

3.2.  Het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] voeren verweer, dat strekt tot niet ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in het verzoek, althans afwijzing daarvan.

3.3.  Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.  De beoordeling
4.1.  [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen.
Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door letsel (of dood), als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren. Doel van de procedure is het verkrijgen van een (snelle) rechterlijke beslissing over onderwerpen die partijen verdeeld houden en aldus in de weg staan aan de totstandkoming van een minnelijke regeling. Hieruit vloeit voort dat de rechter dient te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en, indien dat niet het geval is, het verzoek tot beslechting van een deelgeschil afwijst (artikel 1019z Rv).

4.2.  Hetgeen partijen in de onderhavige procedure – in essentie – verdeeld houdt betreft de vraag wie de kosten verbonden aan de werkzaamheden van een medisch deskundige, in dit geval een KNO-arts, (op voorhand) zal dienen te dragen en, in het verlengde daarvan, de wijze waarop dit de buitengerechtelijke onderhandelingen over andere kwesties, waaronder de bepaling van de (omvang van de) schade, bemoeilijkt.

4.3.  Anders dan het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] betogen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een verandering van het verzoek als bedoeld in artikel 283 Rv. Het geschil ter zake van de vraag wie de kosten verbonden aan de werkzaamheden van een medisch deskundige (op voorhand) voor zijn rekening dient te nemen, is reeds in (het petitum van) het verzoekschrift vermeld en daarnaast uitvoerig toegelicht op de zitting van 21 september 2011 en in nadere correspondentie. Weliswaar leek aanvankelijk het geschil (ook) te zien op de benoeming van een deskundige als zodanig en is ter zitting gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het vinden van een deskundige en het formuleren van de vragen door partijen zelf kan worden geregeld, maar vanaf het begin was (ook) het punt van de betaling van de kosten duidelijk onderwerp van het deelgeschil.

4.4.  De als eerste te beantwoorden vraag is gezien het verweer van het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] of [verzoekster] belang heeft bij haar verzoek. Op grond van het bepaalde in artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek (BW) komt [verzoekster] slechts bij voldoende belang een rechtsvordering, waaronder mede een verzoek als het onderhavige valt te begrijpen, toe. De rechter dient terughoudend te zijn met het afwijzen van een verzoek op de grond dat er niet voldoende belang bestaat. In het algemeen mag voldoende belang worden verondersteld, zolang niet van het tegendeel blijkt.

4.5.  Naar het oordeel van de rechtbank hebben het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel zouden moeten leiden dat voldoende belang van [verzoekster] bij het verzoek ontbreekt. [verzoekster] kan dan ook in haar verzoek worden ontvangen. [verzoekster] stelt gezondheidsklachten en pijn ondervonden te hebben alsmede scheefstand van de neus en stelt daarmee samenhangende schade te lijden. De – inmiddels erkende – medische fout, te weten het niet tijdig verwijderen van de splints, kan op zichzelf tot schade leiden. Dat is ook niet (behoorlijk) betwist. Betwist is slechts, dat bij [verzoekster] daadwerkelijk sprake is van schade. Over de vraag of er, in dit specifieke geval, daadwerkelijk sprake is van schade zal juist het deskundigenbericht meer duidelijkheid moeten geven. Bij het inwinnen van dat bericht (en daarmee ook de voorfinanciering daarvan) heeft [verzoekster] dus onmiskenbaar belang. Het enkele feit dat enige concrete onderbouwing van daadwerkelijk geleden schade ontbreekt, brengt – wat daarvan overigens ook zij – niet mee dat [verzoekster] in haar verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan voldoende belang.

4.6.  Vraag is vervolgens of er sprake is van een deelgeschil als bedoeld in de wet. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Een verzoek als het onderhavige, dat – gelet op de stellingen van partijen en het verhandelde ter zitting – in essentie de vraag betreft wie de kosten verbonden aan de werkzaamheden van een medisch deskundige, in dit geval een KNO-arts, (op voorhand) zal dienen te dragen, valt op zich binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv. Dispuut over – kort gezegd – de kosten van een deskundigenonderzoek is immers te beschouwen als “een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen [partijen] rechtens geldt”. Hetzelfde geldt voor een dispuut over tussentijdse (aanvullende) bevoorschotting van buitengerechtelijke kosten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat dergelijke geschillen van procedurele / feitelijke aard (zogenoemde ‘aspecten van het schaderegelingsproces’) in de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk als voorbeelden van een mogelijk deelgeschil worden genoemd (zie onder meer Kamerstukken II 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 10, 16, 20 en 21). Ofschoon duidelijk is dat nog de nodige stappen gezet moeten worden, ziet de rechtbank voldoende mogelijkheden voor partijen om na haar beslissing het buitengerechtelijke onderhandelingstraject voort te zetten. Dat dit wellicht niet direct tot een vaststellingsovereenkomst zal leiden, is niet doorslaggevend. Voldoende is dat de beslissing een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst – en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling – en dat is naar het oordeel van de rechtbank hier het geval.

4.7.  De stelling van het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] dat de buitengerechtelijke onderhandelingen in deze zaak ontbreken, is ter zitting mede op grond van de stukken feitelijk onjuist gebleken. Niet is weersproken dat tussen (de belangenbehartiger van) het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] enerzijds en (de belangenbehartiger van) [verzoekster] anderzijds uitvoerig is gecorrespondeerd over de gevolgen van het ongeval voor [verzoekster] (zie onder meer producties 2, 4, 6 bij het verzoekschrift). In die correspondentie is tevens sprake geweest van onderhandelingen tussen partijen over aspecten met betrekking tot bepaling van de (omvang van de) schade van [verzoekster]. In het bijzonder is gesproken over het entameren van een deskundigenonderzoek door een KNO-arts. Mitsdien kan niet gezegd worden dat partijen nimmer getracht hebben een oplossing buiten rechte te bereiken.

4.8.  Aldus komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. De rechtbank is – met partijen – van oordeel dat in het kader van de beantwoording van de vraag naar het causaal verband tussen het ongeval, de klachten en de schade onderzoek door een KNO-arts in de rede ligt. Nu het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] aansprakelijkheid hebben erkend, zullen zij in beginsel de kosten van dit deskundigenonderzoek voor hun rekening moeten nemen. Dit vloeit, op basis van vaste jurisprudentie, voort uit deze erkenning, en zou ook in een procedure strekkend tot een voorlopig deskundigenbericht in de rede liggen. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken. Het verzoek van [verzoekster] tot veroordeling van het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] in de kosten van een deskundigenonderzoek door een KNO-arts zal dan ook worden toegewezen. Het komt de rechtbank voor dat partijen, nu zij beide worden bijgestaan door advocaten en medisch adviseurs, in staat moeten zijn om in onderling overleg zelf te komen tot het benodigde deskundigenbericht.

4.9.  Voor wat betreft de tussentijdse (aanvullende) bevoorschotting van buitengerechtelijke kosten is uitgangspunt dat een slachtoffer van een ongeval jegens de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval, recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, behoudens voor zover de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt uiteindelijk bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW: vereist is dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te verkrijgen. Bij de beoordeling van de dubbele redelijkheidstoets wordt de omvang van de schade als één van de in aanmerking te nemen aspecten meegewogen.

4.10.  Het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] hebben niet betwist dat zij de in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten van juridische bijstand aan [verzoekster] verschuldigd zijn. Evenmin is gesteld dat in de onderhavige zaak de inschakeling van deskundige bijstand op zich niet redelijk is (geweest). In geschil is of de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk was om vergoeding van de schade te verkrijgen.

4.11.  De door [verzoekster] gevorderde buitengerechtelijke kosten bestaan uit twee onderdelen:
a. werkzaamheden advocaat:    EUR 6.404,84 (incl. kantoorkosten en BTW)
b. kosten opvragen medische informatie:  EUR 451,21

4.12.  [verzoekster] legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. De advocaat van [verzoekster] verricht de werkzaamheden tegen een uurtarief van EUR 220,= exclusief 6% kantoorkosten en 19% BTW. Dit uurtarief is, gelet op de ervaring van
mr. De Vries-Roetman en gezien het gespecialiseerde karakter van de zaak, redelijk.
Het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] dragen onvoldoende bij aan een efficiënte afwikkeling van de onderhavige letselschadeclaim. Zij kunnen zich dus niet beklagen over het feit dat in verhouding tot het financiële belang van de zaak voor een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke kosten zou zijn gemaakt.

4.13.  Het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] hebben ten verwere tegen dit deel van het verzoek – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. De hoogte van het gehanteerde uurtarief van EUR 220,= is, mede bezien in het licht van de verrichte werkzaamheden, niet redelijk. Bovendien zijn ten onrechte dubbele kosten in rekening gebracht. Daarnaast heeft [verzoekster] niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht nu zij niet in juni 2010, toen zij van oordeel was dat een KNO-arts als deskundige zou moeten worden benoemd, is overgegaan tot het entameren van een voorlopig deskundigenonderzoek. Nadien gegenereerde kosten zijn dan ook nodeloos gemaakt. Daarbij komt dat de omvang van de gevorderde buitengerechtelijke kosten in verhouding tot de aard van het verzoek en de ernst van het beweerde letsel buitenproportioneel te noemen is, aldus het Vlietland Ziekenhuis en [v[verweerder 2]]

4.14.  De rechtbank overweegt als volgt.

4.14.1.  Vooropgesteld wordt dat het door mr. De Vries-Roetman eerder in rekening gebrachte tarief, mits redelijk, in beginsel bepalend is voor de bevoorschotting. Het basisuurtarief van mr. De Vries-Roetman bedraagt EUR 220,= (exclusief 6% kantoorkosten en 19% BTW), hetgeen op zich als een redelijk tarief kan worden aangemerkt. Het is derhalve redelijk dat de buitengerechtelijke kosten worden bevoorschot op basis van dit uurtarief. Dat het uurtarief van EUR 220,= in andere zaken niet redelijk werd geacht, wil – wat daarvan overigens ook zij – nog niet zeggen dat dat in zijn algemeenheid heeft te gelden.

4.14.2.  Vast staat dat [verzoekster] in de onderhavige letselschadezaak is bijgestaan en geadviseerd door [persoo[bedri[bedrijf 1]] van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). Vast staat eveneens dat [bedrijf 1] [verweerder 2] eerder als bedrijfsarts in behandeling heeft gehad en dat
[verweerder 2] [bedrijf 1] gedurende zijn ziekteperiode ook daadwerkelijk heeft geconsulteerd. Gelet hierop had [bedrijf 1] in de onderhavige letselschadezaak niet als medisch adviseur van [verzoekster] mogen optreden. Mitsdien komen de gevorderde buitengerechtelijke kosten voor zover deze betrekking hebben op de inschakeling van [bedrijf 1] niet voor vergoeding in aanmerking. Inmiddels is een andere medisch adviseur ingeschakeld, doch nu het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] al kosten ter zake van [bedrijf 1] hadden betaald, moet die tegemoetkoming aan de kosten van die tweede medisch adviseur worden toegerekend.

4.14.3.  Daarnaast geldt ook dat de omvang van de gevorderde buitengerechtelijke kosten in het licht van de verrichte werkzaamheden buitenproportioneel te noemen is. Dat geldt te meer nu bij brief van 1 juli 2010 door Centramed aan (de advocaat van) [verzoekster] is bericht dat geen nadere aanspraak op juridische en medische kosten meer zou kunnen worden gemaakt (productie 4 bij het verzoekschrift). Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het de verplichting van een schadebehandelaar (een advocaat daaronder begrepen) is in een letselschadedossier geen onnodige kosten te maken. De rechtbank stelt vast dat tot 20 april 2011 15,45 + 2 uren = 17,45 uren (exclusief het opstellen van het verzoekschrift, het voorbereiden van de zitting en de mondelinge behandeling) zijn besteed, waarvan 6,25 na bedoelde brief van 1 juli 2010 (cijfers zijn afgerond). Dat is onredelijk veel.

4.14.4.  Daar komt bij dat op basis van de in het kader van dit deelgeschil verstrekte (medische) informatie de omvang van de schade (exclusief buitengerechtelijke kosten) niet, ook niet bij benadering, kan worden geschat. Dit hangt daarmee samen dat [verzoekster] ervoor heeft gekozen om in dit deelgeschil de kosten van het deskundigenonderzoek centraal te stellen en in het bijzonder het geschil betreffende het ontbreken bij het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] van bereidheid om die kosten te dragen ter beslechting aan de rechtbank voor te leggen. Hoewel niet valt uit te sluiten dat [verzoekster] (exclusief buitengerechtelijke kosten) enige schade heeft geleden, is bepaald niet ondenkbaar dat uit het nog te verrichten deskundigenonderzoek zal blijken dat de schade van relatief beperkte omvang zal zijn.

4.14.5.  Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank een redelijk geacht aantal van 12 uren tegen het redelijk geachte uurtarief van EUR 220,= (exclusief 6% kantoorkosten en 19% BTW), derhalve EUR 3.330,10 – EUR 1.000,00 (zie onder 2.6.) = EUR 2.330,10 toewijzen en het verzoek voor het overige afwijzen.

4.15.  [verzoekster] heeft verzocht haar kosten te begroten in de zin van artikel 1019aa lid 1 Rv. De rechtbank overweegt dat artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door letsel (of dood) lijdt dient te begroten, ook als het verzoek gedeeltelijk wordt afgewezen. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Dit is echter hier niet het geval.

4.16.  De rechtbank overweegt dat ook deze kosten dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Of het redelijke kosten zijn, hangt af van de vraag of het redelijk is dat die kosten zijn gemaakt én of de hoogte van deze kosten redelijk is. Dat het maken van de kosten redelijk is acht de rechtbank evident, gelet op het vastlopen van de onderhandelingen.

4.17.  Gelet op de beperkte omvang en geringe complexiteit van het deelgeschil wordt bij de begroting rekening gehouden met 1,5 uur voor het opstellen van het verzoekschrift, 1 uur voor het voorbereiden van de zitting en 1,5 uur voor de mondelinge behandeling tegen het basisuurtarief van EUR 220,= exclusief 6% kantoorkosten en 19% BTW. De met de verdere behandeling van de zaak gemoeide tijd, zijnde de tijd besteed aan het opstellen van verscheidene brieven/faxberichten na de mondelinge behandeling, zal worden begroot op 1,5 uur. De kosten van de deelgeschilprocedure worden derhalve aan de zijde van [verzoekster] begroot op EUR 1.526,29 (inclusief 6% kantoorkosten en 19% BTW), te vermeerderen met het door haar betaalde griffierecht van EUR 258,=, derhalve in totaal EUR 1.784,29.

5.  De beslissing
De rechtbank

5.1.  veroordeelt het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] in de kosten van een (nader) deskundigenonderzoek door een KNO-arts;

5.2.  veroordeelt het Vlietland Ziekenhuis en [verweerder 2] tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van EUR 2.330,10 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

5.3.  begroot de kosten van dit verzoek aan de zijde van [verzoekster] op
EUR 1.784,29;

5.4.  wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2012.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: