Verjaring vordering is gestuit. Werkgever aansprakelijk voor RSI klachten.

rechtbank ‘s-Gravenhage (sector kanton), 26 oktober 2011, LJN: BV1548
Deze beschikking is het vervolg op de beschikking van 9 augustus 2011. Daarin is bepaald dat verweerster (voormalig werkgever) aansprakelijk is voor de RSI-klachten van verzoeker, tenzij verjaringsberoep slaagt. Zaak is toen aangehouden. Die uitspraak is op deze website geanalyseerd. Verzoeker heeft vervolgens nadere stukken ingebracht.

In deze beschikking oordeelt de rechter dat de brief uit 2008 van de advocaat van verzoeker aan de advocaat van verweerster, waarin staat: “Mocht u geen van deze expertiserend artsen willen inschakelen dan denk ik dat wij er minnelijk niet meer uitkomen. Ik zal dan ofwel een nieuw deskundigenbericht starten ofwel een eenzijdige expertiste laten verrichten waarna ik een bodemprocedure zal starten”, als stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 BW moet worden aangemerkt. De conclusie is dat de vordering van verzoeker niet is verjaard. De rechter bepaalt dat verweerster o.g.v. art. 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die verzoeker heeft opgelopen tijdens zijn werk.   
Bij de begroting van de kosten wordt het verweer dat het uurtarief van € 290,- excl. kantoorkosten en BTW te hoog is gepasseerd.

Of de verjaring van een vordering al dan niet is gestuit, kan een kwestie van interpretatie zijn. Dat blijkt wel uit deze uitspraak. Of het gehanteerde uurtarief zo redelijk is als deze rechter meent is zeer de vraag. Daar wordt in deelgeschillen ook heel anders over geoordeeld!

 2.12.De kantonechter overweegt nogmaals dat de verjaring op grond van artikel 3:317 BW wordt gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Er moet sprake zijn van een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. Daarbij dient te worden beoordeeld of de wederpartij had behoren te begrijpen dat verzoeker zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (HR 13 februari 1997, NJ 1997, 244 en meer recent HR 21 april 2006, NJ 2006, 270).

2.13.Daargelaten of het verzoekschrift tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek als zodanig kan worden beschouwd, is de kantonrechter, in tegenstelling tot PKF Wallast, van oordeel de dat de brief van [verzoeker] aan PKF Wallast van 31 oktober 2008 als stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 BW moet worden aangemerkt. PKF Wallast had door de mededeling als geciteerd onder 2.9 immers behoren te begrijpen dat [verzoeker] het voornemen had PKF Wallast in rechte te betrekken. Dat de verjaring bij brief van 1 juli 2005 namens [verzoeker] – zelf advocaat – op een wellicht meer gebruikelijke wijze is gestuit maakt niet dat PKF Wallast alleen dergelijke mededelingen als in de brief van 1 juli 2005 als stuitingshandeling behoefde op te vatten en niet had behoren te begrijpen dat [verzoeker] zich in de brief van 31 oktober 2008 ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehield. Voorts heeft PKF Wallast onvoldoende onderbouwd waarom PKF Wallast, gezien alle omstandigheden van dit geval, de aankondiging van [verzoeker] van 31 oktober 2008 om PKF Wallast in rechte te betrekken niet serieus behoefde te nemen. PKF Wallast voert te dien aanzien aan dat [verzoeker] aan de vele aan de mededeling van 31 oktober 2008 voorafgaande aankondigingen van procedures geen gevolg heeft gegeven. Uit de door partijen weergegeven citaten uit de tussen hen gevoerde correspondentie blijkt echter dat [verzoeker] voorafgaand aan de brief van 31 oktober 2008 slechts tweemaal, te weten bij brieven van 29 november 2006 en 11 januari 2007, heeft aangegeven dat hij wellicht een procedure zou starten. In deze brieven heeft [verzoeker] echter gewezen op de mogelijkheid tot het verzoeken om het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek, welke procedure [verzoeker] later ook daadwerkelijk is gestart. PKF Wallast heeft de hiervoor aangehaalde passage in de brief van 31 oktober 2008 bovendien ook daadwerkelijk opgevat als een voornemen van [verzoeker] om PKF Wallast in rechte te betrekken, hetgeen blijkt uit de reactie die mr. Weijers op 31 oktober 2008 naar [verzoeker] heeft verzonden:

“Ik zal de thans door u voorgestelde deskundige weer aan mijn medisch adviseur voorleggen. Mochten ook die deskundigen weer als “RSI partijdig” te boek staan, dan zijn wat mij betreft de mogelijkheden uitgeput en is het aan u om verdere actie te ondernemen. Ik kan mij voorstellen dat uw cliënt zijn geloofwaardigheid niet geheel wil verliezen en dan ook overgaat tot het uitbrengen van een dagvaarding. Er zijn immers nog genoeg andere punten waarover partijen in rechte kunnen debatteren. In die procedure komt dan te gelegener tijd wellicht vanzelf wel weer het moment waarop een deskundige dient te worden benoemd. Laten wij het debat dan op dat moment verder voeren.”

2.14.De conclusie moet dus zijn, mede nu in ieder geval sinds 1 november 2008 nog geen 5 jaar zijn verstreken, dat de vordering van [verzoeker] tot schadevergoeding uit hoofde van artikel 7:658 BW (althans de artikelen 7:611 en 6:162 BW) niet is verjaard. Het verzoek van [verzoeker] om te bepalen dat PKF Wallast op grond van artikel 7:658 BW jegens [verzoeker] aansprakelijk is voor de schade die hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij PKF Wallast heeft opgelopen, zal dan ook worden toegewezen.
Kosten
2.15.[verzoeker] verzoekt PKF Wallast te veroordelen in de kosten van deze procedure op de voet van artikel 1019aa Rv juncto artikel 6:96 BW. [verzoeker] begroot zijn kosten van rechtsbijstand in totaal op € 8.062,– (27,48 uur à € 290,–, exclusief 6% kantoorkosten en BTW), te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht.

2.16.PKF Wallast voert in de eerste plaats aan dat deze procedure volstrekt onnodig en/of onterecht is aangebracht, waardoor geen plaats is voor een aan [verzoeker] toekomende vergoeding van kosten, althans dat deze kosten dienen te worden begroot op nihil. Subsidiair voert PKF Wallast aan dat het door mr. Meijer in rekening gebrachte uurtarief onredelijk is. PKF Wallast acht een uurtarief van € 200,– redelijk.

2.17.De kantonrechter overweegt dat artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt dient te begroten, ook als het verzoek (gedeeltelijk) wordt afgewezen. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Nu [verzoeker] in het gelijk is gesteld kan hier geen sprake van zijn, zodat het verweer te dien aanzien zal worden verworpen. Nu de kantonrechter de kosten van deze procedure dient te begroten, dient blijkens artikel 6:96 lid 2 BW te worden beoordeeld of deze kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn. PKF Wallast heeft verweer gevoerd tegen het door mr. Meijer gehanteerde uurtarief. De onderhavige zaak betreft echter een zaak waarvoor naar het oordeel van de kantonrechter een gespecialiseerde advocaat moet worden ingeschakeld, hetgeen in principe een bovengemiddeld uurtarief rechtvaardigt. Nu het uurtarief van mr. Meijer, zoals hij zelf ook aangeeft, conform het advies van de Vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade is, acht de kantonrechter het door mr. Meijer in rekening gebrachte uurtarief redelijk.

2.18.Nu PKF Wallast geen verweer heeft gevoerd tegen de door mr. Meijer in rekening gebrachte uren, zal de kantonrechter de kosten van deze procedure begroten op € 8.062,– (exclusief kantoorkosten en BTW) vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 258,–. Aangezien, zoals hierboven is overwogen, PKF Wallast aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij PKF Wallast heeft opgelopen, zal PKF Wallast in deze kosten worden veroordeeld.

3.De beslissing
De kantonrechter:
3.1.bepaalt dat PKF Wallast op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft opgelopen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij PKF Wallast;

3.2.begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 8.062,– (exclusief kantoorkosten en BTW), te vermeerderen met het griffierecht van € 258,–, en veroordeelt PKF Wallast tot betaling van deze kosten;

3.3.wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Bierling en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.

Geef uw e-mailadres aan ons door en we laten u weten als er een nieuw bericht is geplaatst.