Supermarkt aansprakelijk voor gevolgen val klant

rechtbank Breda 16 januari 2012, LJN: BV1481
Verzoekster heeft supermarkt (verweerster) aansprakelijk gesteld voor door val ontstaan letsel. Toedracht val en aansprakelijkheid betwist, volgens verweerster betreft het geen deelgeschil.
Op basis van de verklaringen van verzoekster en haar zoon en het ontbreken van gemotiveerd verweer staat voor de rechtbank vast dat zij nabij de kassa is gestruikeld over een lege plantenkubus, die zij niet hoefde te zien. Vaststelling aansprakelijkheid leent zich ook in deze zaak voor behandeling als deelgeschil.  Met toepassing van de kelderluikcriteria komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerster aansprakelijk is o.g.v. art. 6:162 BW. Er is geen eigen schuld. Verweerster wordt veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten en de kosten van deze procedure.

Uit deze uitspraak kan zeker niet worden afgeleid dat een supermarkt (of andere winkel) altijd aansprakelijk is voor de gevolgen van een val. Het gaat om de omstandigheden van het geval. Die omstandigheden worden – zoals het hoort – door de rechtbank met de kelderluikcriteria beoordeeld.

3.4. Met betrekking tot het niet-ontvankelijkheidsverweer van Jumbo overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op artikel 1019w Rv kan een deelgeschilprocedure worden gevoerd over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen rechtens geldt tussen partijen ter zake van aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel, in gevallen dat de beëindiging van dat geschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou zijn ingesteld indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. Volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure moet de rechterlijke uitspraak in een deelgeschil partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden. Indien partijen er ondanks de uitspraak niet in slagen om er samen uit te komen, kunnen zij hun geschillen alsnog aan de rechter voorleggen in een bodemprocedure (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr 3, p. 2.).

3.5. Het voorgelegde geschil betreft de vraag of Jumbo aansprakelijk kan worden gehouden voor het ongeval dat [verzoekster] is overkomen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een deelgeschil, nu een dergelijk geschil immers is te beschouwen als een geschil “omtrent of in verband met een deel van hetgeen rechtens geldt tussen partijen ter zake van aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel”. Ook de wetgever is er blijkens de parlementaire geschiedenis van uitgegaan dat de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr 3, p. 10).
Dat partijen ‘slechts’ discussie hebben gevoerd over de toedracht van het ongeval en de daarmee samenhangende aansprakelijkheid en op geen enkele wijze hebben gesproken over de weg die partijen dienen in te gaan om tot een schaderegeling te komen, maakt het voorgaande niet anders. Het geschil tussen partijen over de aansprakelijkheid betreft immers een geschil aan het begin van het minnelijke onderhandelingstraject, hetgeen in zijn algemeenheid met zich mee zal brengen dat – zolang over de aansprakelijkheidsvraag nog geen overeenstemming is bereikt – geen (noemenswaardige) onderhandelingen over de vergoeding van schade zijn gevoerd. De rechtbank overweegt dat gelet op de stellingen van partijen vaststaat dat de discussie tussen partijen over de toedracht van het ongeval en de daarmee samenhangende aansprakelijkheid in een impasse is geraakt en dat een oordeel van de rechtbank hierover de buitengerechtelijke onderhandelingen op gang kan brengen. Nu de deelgeschilprocedure blijkens de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr 3, p. 2.) er juist toe dient om partijen in staat te stellen om met een rechterlijke uitspraak – bijvoorbeeld over de aansprakelijkheidsvraag – de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [verzoekster] een deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv betreft.
Het verweer van Jumbo ter zake wordt daarom verworpen.

3.6. Jumbo stelt zich voorts op het standpunt dat het verzoek zich gelet op het bepaalde in artikel 1019z Rv niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure omdat de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en derhalve niet opweegt tegen de vermoedelijke kosten en het te verwachten tijdsverloop van de procedure. Jumbo voert daartoe aan dat het voor de beoordeling van de aansprakelijkheids-vraag van belang is dat eerst de juiste toedracht van de valpartij wordt vastgesteld en dat, nu Jumbo de door [verzoekster] gestelde toedracht van het ongeval gemotiveerd heeft betwist, op dit punt nadere bewijsvoering noodzakelijk is.

3.7. De rechtbank overweegt met betrekking tot de vraag of Jumbo uit hoofde van artikel 6:162 BW aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die [verzoekster] als gevolg van de valpartij heeft geleden, allereerst dat de feitelijke toedracht van het [verzoekster] overkomen ongeval moet komen vast te staan.

3.8. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat [verzoekster] ten val is gekomen ter hoogte van de bloemenopstelling die zich – bezien vanuit het winkelgedeelte – voor één van de kassablokken in de supermarkt van Jumbo bevond. Die bloemenopstelling bestaat uit een hoge steigerhouten kubus (72 x 68 x 42 cm (L x H x B)) met daarvoor een lagere steigerhouten kubus (60 x 58 x 21cm), waarop bloemen in emmers worden gepresenteerd. Voorts staat als onweersproken vast dat er sprake was van een gewone winkelvloer en dat er geen andere obstakels in de directe omgeving van de bloemenopstelling aanwezig waren. Door Jumbo is tijdens de mondelinge behandeling voorts verklaard dat het verplaatsen van de emmers en de lage kubus zeer wel mogelijk is geweest op het moment van de dag dat [verzoekster] was gevallen.

3.9. [verzoekster] stelt ter zake de toedracht van het ongeval dat zij is gestruikeld over de uitstekende punt van een lege vlonder die diende om bloemen op te presenteren. Die lege vlonder was weggeschoven omdat een medewerker bezig was met het verplaatsen dan wel neerzetten van bloemen op de hoge vlonder, aldus [verzoekster]. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst zij voorts naar de verklaring van haar zoon [y] (productie 7 bij verzoekschrift). Deze verklaart dat hij, nadat zijn moeder gevallen was, haar overeind heeft geholpen, dat er geen water en/of aarde op de grond lag en dat er naast zijn moeder een leeg, verlaagd houten pallet op de grond lag.

3.10. Daar waar [verzoekster] in de stukken spreekt over een vlonder, doelt zij op de lage houten kubus zoals die zich bevindt ter hoogte van de kassablokken, nu zij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de vlonder waarover zij is gestruikeld de lage kubus betreft zoals zichtbaar op de door Jumbo overgelegde foto’s van CED (productie 3 bij verweerschrift). De stelling van Jumbo dat [verzoekster] niet gevallen kán zijn over een vlonder of pallet omdat in de winkel geen vlonder of pallet aanwezig was, wordt gelet op voormelde verklaring van [verzoekster] buiten beschouwing gelaten.

3.11. Jumbo betwist dat [verzoekster] daadwerkelijk over een kubus gestruikeld is, nu niemand heeft waargenomen hoe [verzoekster] ten val is gekomen. Jumbo heeft aangevoerd dat het niet goed denkbaar is dat zij over een losse en lege kubus is gestruikeld omdat als de bloemen verkocht zijn, de lege emmers nog op de kubus staan en deze emmers door haar hadden moeten zijn opgemerkt. Volgens Jumbo luidt de instructie aan haar personeel dat als de lage kubus helemaal leeg is, deze onder de hoge kubus geschoven dient te worden. In beginsel staat er derhalve geen lege kubus in de winkel, aldus Jumbo.

3.12. In het licht van de verklaringen van [verzoekster] en haar zoon, is de rechtbank van oordeel dat voormelde betwisting door Jumbo van de stelling van [verzoekster] dat zij over een lage lege kubus is gevallen, onvoldoende is gemotiveerd. Zo heeft Jumbo niet gesteld dat de door haar genoemde instructie aan het personeel ook feitelijk is uitgevoerd op het moment dat [verzoekster] ten val is gekomen. Van Jumbo had verwacht mogen worden dat zij haar algemene stelling dat het niet goed denkbaar is dat er ten tijde van het ongeval een losse lege kubus in de winkel stond, feitelijk had onderbouwd, bijvoorbeeld door verklaringen van haar medewerkers over te leggen met betrekking tot de feitelijke situatie in de winkel ten tijde van het ongeval. Dit heeft Jumbo nagelaten, terwijl zij daartoe wel in de gelegenheid was. In het CED-rapport van 1 november 2010 staat weliswaar vermeld dat het voor de heer [z] niet meer is na te gaan of er ten tijde van het ongeval een werknemer bezig was met de bloemenpresentatie, doch ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de heer [z] verklaard dat hij aan de hand van de planning nog wel na kon gaan wie er op dat moment werkten. Nu de stelling van [verzoekster] ter zake de toedracht van het ongeval aldus onvoldoende gemotiveerd is betwist, is komen vast te staan dat [verzoekster] is gevallen over een lege, lage kubus. Nadere bewijsvoering ter zake is derhalve niet noodzakelijk.

3.13. Voor de beantwoording van de vraag of Jumbo aansprakelijk is voor de gevolgen van de haar overkomen valpartij, dient te worden beoordeeld of Jumbo door de situering van de lage kubus een risico heeft geschapen dat onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet verantwoord was. De vraag of veroorzaking van schade door het in het leven roepen of het laten voortbestaan van een gevaarzettende situatie onrechtmatig is, kan niet uitsluitend worden beantwoord aan de hand van de vraag of sprake is van de mogelijkheid van een ongeval of aan de hand van de vraag of schade is ingetreden (Hoge Raad 9 december 1994, NJ 1996, 403). De rechtbank dient te toetsen aan de criteria van het ‘Kelderluik-arrest’ van de Hoge Raad van 5 november 1965 (NJ 1966, 136). In dit arrest is bepaald dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand, die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Daarbij speelt een rol de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, hoe groot de kans is dat dan ongevallen ontstaan, hoe ernstig de gevolgen van zo’n ongeval kunnen zijn en hoe bezwaarlijk het nemen van maatregelen is.

3.14. Naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangenomen dat een lege en betrekkelijk lage kubus voor de kassa’s in de supermarkt een gevaarlijke situatie oplevert. De rechtbank acht daarbij van belang dat uit de door Jumbo overgelegde plattegrond van de supermarkt en de foto’s van de bloemenopstelling (productie 2 en 3 bij het verweerschrift) volgt dat de bloemenopstelling en ook de lege kubus in het loopgebied voor de kassa’s hebben gestaan. Dat een lege kubus een gevaar oplevert heeft Jumbo zelf ook onderkend, nu zij (ook volgens haar eigen stelling) haar personeel heeft geïnstrueerd om eventuele lege (lage) kubussen onder de hoge kubussen te schuiven om de kans op een ongeval en of schade te minimaliseren.

3.15. Een supermarkt als de Jumbo dient er voorts rekening mee te houden dat haar klanten niet altijd de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht nemen bij het lopen door de winkel. In een supermarkt zal de aandacht van klanten vooral gericht zijn op de winkelschappen en in het geval van [verzoekster], nu zij wilde afrekenen, op de kassa’s, en dient de inrichting van de winkel daarop afgestemd te zijn ter voorkoming van ongevallen met klanten.

3.16. De rechtbank is voorts van oordeel dat – gelet op de hiervoor bedoelde mindere mate van voorzichtigheid en oplettendheid bij het winkelend publiek en de omstandigheid dat het hier een lage en lege kubus betreft – de kans dat een ongeval ontstaat door de aanwezigheid van een lage lege kubus in het loopgebied van een supermarkt, reëel is. Ook hier geldt dat Jumbo die kans zelf ook als zodanig heeft ingeschat, nu zij haar medewerkers – ter voorkoming van ongevallen – had geïnstrueerd de lage kubus, wanneer deze leeg was, onder de hoge kubus te schuiven. Dat [verzoekster] bekend was met de kubussen met bloemen bij de kassa’s, maakt voorts niet dat zij bedacht diende te zijn op lege kubussen bij de kassa’s en maakt evenmin dat zij als gevolg daarvan meer voorzichtigheid in acht diende te nemen dan de gemiddelde winkelbezoeker.

3.17. Het vallen over een lege kubus in de onderhavige winkelruimte kan naar het oordeel van de rechtbank leiden tot ernstige gevolgen, nu sprake is van een harde (tegel)vloer. Daarbij heeft in zijn algemeenheid ook te gelden dat indien een klant met een boodschappenmand in de hand onverwacht valt, zoals in casu bij [verzoekster] het geval was, hij wordt belemmerd in het opvangen van de val met de handen en armen hetgeen tot een meer ernstig letsel kan leiden.

3.18. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het voor Jumbo niet bezwaarlijk was om maatregelen ter voorkoming van ongevallen met de lege lage kubus te nemen. Ter zake gold immers al een (eenvoudige) instructie en deze instructie was ook aan de medewerkers van de Jumbo gegeven, zodat Jumbo door te werken conform de instructie, het ongeval eenvoudig had kunnen voorkomen.

3.19. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Jumbo op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] tengevolge van het ongeval heeft geleden. De door [verzoekster] ter zake gevorderde verklaring voor recht wordt daarom toegewezen en de door Jumbo gevorderde verklaring voor recht dat zij niet aansprakelijk is wordt daarom afgewezen.

3.20. Ter zake het beroep van Jumbo op eigen schuld van [verzoekster] overweegt de rechtbank het volgende. In artikel 6:101 lid 1 BW is onder meer bepaald dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen.

3.21. Anders dan Jumbo is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van de situatie dat [verzoekster] verzuimd heeft om de nodige voorzichtigheid in acht te nemen. De rechtbank stelt daarbij als uitgangspunt voorop dat er in het algemeen, om de hiervoor genoemde redenen, sprake is van een verminderde voorzichtigheid en oplettendheid bij het winkelend publiek. Uit de door Jumbo aangevoerde omstandigheid dat [verzoekster] al jaren in de winkel kwam, dat zij wist waar de bloemen opgesteld stonden en dat zij kennelijk heeft waargenomen dat er een medewerkster bezig was met de bloemenopstelling, kan niet worden afgeleid dat zij er rekening mee diende te houden dat er zich een lege lage kubus ter hoogte van die bloemenopstelling in het loopgebied van de supermarkt zou bevinden en dat zij aldus meer voorzichtigheid en meer oplettendheid had moeten betrachten. Ook uit de eigen verklaring van [verzoekster] volgt – anders dan Jumbo stelt – niet dat zij een ‘uitstekende’ punt van de kubus (tijdig) heeft gezien. Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van de situatie dat de ontstane schade mede een gevolg is van onvoorzichtigheid die aan [verzoekster] kan worden toegerekend. De door Jumbo ter zake gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.

3.22. Het verzoek van [verzoekster] om Jumbo te veroordelen om met haar daadwerkelijk in onderhandeling te treden ter afwikkeling van haar materiële en immateriële schade, wordt afgewezen nu een juridische grondslag daarvoor ontbreekt.

3.23. Met betrekking tot de door [verzoekster] gevorderde buitengerechtelijke kosten ad EURO 9.676,76 overweegt de rechtbank dat in artikel 6:96 lid 2 BW is bepaald dat als vermogenschade mede voor vergoeding in aanmerking komen (a) redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht, (b) redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en (c) redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, wat de kosten onder b en c betreft, behoudens voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 Rv de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn.

3.24. [verzoekster] heeft ter onderbouwing van de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten een declaratie en een specificatie van haar raadsman overgelegd (productie 15 bij verzoekschrift). Op die specificatie zijn de werkzaamheden van haar raadsman naar soort werkzaamheden en de daaraan bestede tijd uitgesplitst. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet die specificatie aan de daaraan te stellen eisen. Gelet op deze op voldoende wijze gespecificeerde buitengerechtelijke kosten had het op de weg van Jumbo gelegen om ten aanzien van de verschillende kostenposten gemotiveerd aan te geven waarom die niet in redelijkheid zijn gemaakt en waarom het aantal gedeclareerde uren per kostenpost te hoog is. Jumbo heeft als verweer echter enkel in algemene zin aangevoerd dat het aantal gedeclareerde uren – in het licht van de redelijk beperkte correspondentie – onverklaarbaar is en het totaalbedrag haar hoog voorkomt. Met dit verweer heeft Jumbo naar het oordeel van de rechtbank de redelijkheid van de verrichte werkzaamheden, welke gelet op de specificatie overigens uit meer bestaan dan de gevoerde correspondentie, en de redelijkheid van de in verband daarmee gemaakte kosten onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat dit verweer wordt gepasseerd.

3.25. Gelet op het voorgaande en gelet op de omstandigheid dat met betrekking tot die buitengerechtelijke kosten het door de raadsman van [verzoekster] gehanteerde tarief door Jumbo niet is betwist, zal de rechtbank de vordering van [verzoekster] tot veroordeling van Jumbo tot vergoeding aan haar van de gemaakte buitengerechtelijke kosten ad EURO 9.676,76 toewijzen.

3.26. Gelet op het voorgaande behoeft het verzoek van [verzoekster] ter zake de voorschotbetaling geen bespreking.

3.27. [verzoekster] vordert ten slotte veroordeling van Jumbo in de kosten van de deelgeschilprocedure. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is door de raadsman van [verzoekster], onder verwijzing naar zijn brief van 9 november 2010, verklaard dat die kosten EURO 1.012,50 exclusief BTW en exclusief kantoorkosten (4,5 uur x uurtarief van EURO 220,00) bedragen.

3.28. In artikel 1019aa lid 1 Rv is bepaald dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Het dient derhalve redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn.

3.29. Jumbo heeft niet betwist dat [verzoekster] de kosten met betrekking tot de onderhavige deelgeschilprocedure in redelijkheid heeft gemaakt. Met betrekking tot de hoogte van de kosten heeft Jumbo aangevoerd dat zij het niet redelijk acht indien meer dan tien uren / EURO 2.000,– voor het deelgeschil wordt begroot. Nu [verzoekster] een bedrag van
EURO 1.012,50 exclusief BTW en exclusief kantoorkosten vordert en de rechtbank van oordeel is dat deze kosten als redelijk kunnen worden aangemerkt, zal de rechtbank de buitengerechtelijke kosten die op grond van artikel 1019aa Rv voor vergoeding in aanmerking begroten op EURO 1.012,50, te vermeerderen met BTW, kantoorkosten en griffierecht. Nu de aansprakelijkheid van Jumbo is komen vast te staan, wordt het verzoek van [verzoekster] om Jumbo te veroordelen in de kosten van de deelgeschilprocedure toegewezen.

4. De beslissing
De rechtbank

4.1. verklaart voor recht dat Jumbo aansprakelijk is voor de door het litigieuze ongeval bij [verzoekster] berokkende materiële en immateriële schade,

4.2. veroordeelt Jumbo tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad EURO 9.676,76,

4.3. begroot de kosten van de onderhavige procedure die voor vergoeding op grond van artikel 1019aa Rv in aanmerking komen aan de zijde van [verzoekster] op EURO 1.012,50, te vermeerderen met BTW, kantoorkosten en griffierecht, en veroordeelt Jumbo tot vergoeding van deze kosten aan [verzoekster],

4.4. verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling onder 4.2 en 4.3. uitvoerbaar bij voorraad,

4.5. wijst het meer of anders door [verzoekster] verzochte af,

4.6. wijst de verzoeken van Jumbo af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Wetering en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2012.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: