Deelgeschil voor uitleg vaststellingsovereenkomst? Nee!

kantonrechter Nijmegen 8 juni 2011 gepubliceerd door Stichting PIV

In de door partijen overeengekomen vaststellingovereenkomst is een voorbehoud opgenomen. Op grond van de gesloten vaststellingsovereenkomst staat tussen de partijen vast wat de aard en het vermoedelijke beloop van de vordering van eiser is. Het verzoek van eiser betreft alleen nog de uitleg van de vaststellingsovereenkomst en de definitieve schade als gevolg van het verlies van arbeidsvermogen. Het verzoek behelst geen deelgeschil maar in feite een vordering ten principale. Het verzoek wordt afgewezen.

Uit (de parlementaire geschiedenis bij) artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de rechtbank de kosten van de procedure dient begroten en dat deze laatste situatie alleen dan anders is indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Anders dan Amlin NV heeft betoogd is de kantonrechter van oordeel dat deze situatie zich hier niet voordoet. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat hel begrip ‘deelgeschil’ in de Wet Deelgeschillen niet vast omlijnd is en de concrete invulling daarvan blijkens de parlementaire geschiedenis aan de rechtspraak is overgelaten. Gelet op de betrekkelijk korte tijd dal de Wet Deelgeschillen van kracht is, is van een vaste lijn in de rechtspraak over hel begrip deelgeschil nog geen sprake.

De kantonrechter is echter van oordeel dat niet alle door [Eiser] aangevoerde kosten kunnen worden aangemerkt als kosten van de deelgeschilprocedure. [Eiser] voert kennelijk alle kosten van rechtsbijstand op vanaf het moment dat zijn huidige gemachtigde, mr. De Jager (advocaat in dienst betrekking van SRK Rechtsbijstand), hem bijstaat. Op dat moment was echter nog niet besloten lot het starten van deze deelgeschilprocedure. De kantonrechter is van oordeel dat alleen de kosten van werkzaamheden die daadwerkelijk in het kader van de onderhavige deelgeschilprocedure zijn verricht kunnen worden aangemerkt als kosten in de zin van artikel 10I9aa Rv. Aan de kantonrechter is geen urenstaat overgelegd van de verrichte werkzaamheden. Wel is gesteld dat met het opstellen van het verzoekschrift twaalf uren zijn gemoeid. Amlin NV heeft niet aangevoerd dat dat urenaantal op zichzelf onredelijk is. De kantonrechter zal de overige nog bestede tijd voor correspondentie en overleg samenhangend met deze procedure begroten op twee uren. De kantonrechter begroot de werkzaamheden voorafgaand aan de zitting dus in totaal op veertien uren en de werkzaamheden op de dag van de zitting op drie uren. Uitgaand van hel door mr. De Jager gehanteerde uurtarief van € 150,00 (SRK Rechtsbijstand is niet BTW-plichtig) worden de buitengerechtelijke kosten begroot op € 2.550,00 en vermeerderd met het griffierecht van € 142,00 op € 2.692,00.

Het blijft nog wat onduidelijk waarom het feit dat er nog geen vaste lijn in de jurisprudentie bestaat betekent dat belangenbehartigers ongehinderd op kosten van verzekeraars mogen experimenteren. Dat betekent pure winst voor belangenbehartigers zonder echte winst bij de slachtoffers.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: