Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade

Logo OAK advocatenOp deze site worden de uitspraken in het kader van de Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade samengevat gepubliceerd en eventueel van kort commentaar voorzien. U kunt eenvoudig zoeken in de uitspraken: op specifieke woorden, maar u kunt ook alle uitspraken in categorieën bekijken.

Aanvullingen, suggesties of zelf een deelgeschil? info@oakadvocaten.nl

Aanrijding scooter vs. tegen de rijrichting in rijdende fietser: 50% van de schade blijft voor de fietser

Rechtbank Limburg, 13 augustus 2019
Sprake van een aanrijding tussen een scooter en een fietser, verzoeker, die aan de verkeerde kant van de weg reed. Unigarant heeft voor 50% aansprakelijkheid erkend. Partijen zijn verveeld over de mate van aansprakelijkheid.
Verzoek Rechtbank
Verzoeker verzoekt de rechtbank (…) om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

(1)  voor recht te verklaren dat Unigarant volledig, dan wel voor een door de rechtbank nader te bepalen percentage, aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade van verzoeker (…);

(1) Van overmacht is geen sprake.

Het staat vast dat verzoeker tegen het verkeer in fietste. Het ongeval is het gevolg van deze aan [verzoeker] toe te rekenen verkeersfout: indien [verzoeker] aan de juiste kant (overzijde) van de weg had gefietst, had de aanrijding immers niet plaatsgevonden.

Gezien de plaats van het ongeval ter hoogte van de kruising met de Jonkheer Ruysstraat en de omstandigheid dat het schemerig/donker was, moet het er voor worden gehouden dat bestuurder (zeer) weinig tijd heeft gehad te anticiperen op de zich voor hem opdoemende – tegen de rijrichting in fietsende – verzoeker. Onder de gegeven omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het ongeval hoofdzakelijk is veroorzaakt doordat verzoeker in de schemer/in het donker tegen de rijrichting fietste. Derhalve bestaat op grond van de causaliteitsafweging geen aanleiding af te wijken van voornoemde 50%-regel.

Gelet op de ernst en verwijtbaarheid van de verkeersovertreding van verzoeker, welke fors bijdraagt aan de causaliteit, is er geen plaats voor een nadere billijkheidscorrectie. Unigarant moet 50% van de schade van verzoeker vergoeden.

(2) Unigarant te veroordelen om met verzoeker op basis van het door de rechtbank bepaalde percentage aansprakelijkheid door te onderhandelen over de aan verzoeker te betalen schadevergoeding; (2) Er bestaat geen grond voor toewijzing van het verzoek om Unigarant te veroordelen om met verzoeker door te onderhandelen.
(3) de kosten van deze procedure te begroten en Unigarant te veroordelen tot betaling van deze kosten. (3) 15 uur tegen uurtarief van € 250,00, vermeerderd met de btw en griffierecht. De helft van de kosten blijft voor rekening van verzoeker.

De rechter is stellig: als verzoeker niet aan de verkeerde kant van de weg had gefietst, had het ongeval niet plaats gevonden. Dat anderen ook aan de verkeerde kant van de weg fietsen doet niets aan de ernst van de overtreding af.

Aanvullende vraag aan verzekeringsarts wordt toegewezen; tegenverzoek – bepalen dat er definitieve regeling is – niet

Rechtbank Noord-Holland, 23 januari 2019
Na ontvangst van een voor (verzoeker) negatieve uitvallende deskundigenonderzoeken, stelt (verzoeker) dat zijn klachten plausibel zijn. Echter, de stelling is onvoldoende. Het stellen van een aanvullende vraag aan de verzekeringsarts – over de beperkingen in het eerste half jaar na het ongeval – wordt toegewezen.
Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w Rv te bepalen dat

(1) zijn klachten in juridisch causaal verband staan tot het (verzoeker) overkomen bedrijfsongeval;

In deze kwestie hebben verschillende deskundigen – orthopeed, neuroloog, verzekeringsarts – zich uitgesproken over de causaliteitsvraag. VGA accepteert de uitkomsten van de deskundigenonderzoeken: door deze deskundigen is vastgesteld dat de nekklachten, hoofdpijnklachten en concentratieproblemen niet in relatie tot het ongeval staan. VGA heeft het causaal verband tussen de kneuzing van de rechterschouder en het ongeval erkend, maar betwist dat de overige klachten – zie het bovenstaande – hun oorzaak vinden in het ongeval.

Verzoeker legt zich niet neer bij de bevindingen van de deskundigen. De vraag is of er in dit stadium van de procedure nog ruimte bestaat om de bevindingen van de deskundigen te betwisten.

Tegen de achtergrond van de gemotiveerde betwisting door VGA op dit punt en de rapporten van de drie op gezamenlijk verzoek geraadpleegde deskundigen, heeft (verzoeker) onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen dat de gemelde klachten in dit geval plausibel zijn. (Verzoeker) is vooralsnog niet in het bewijs geslaagd.

(2) VGA te bevelen medewerking te verlenen aan het op gezamenlijk verzoek doen laten uitvoeren van aanvullend onderzoek door verzekeringsarts; De verzekeringsarts heeft een vraag niet beantwoord, namelijk het duiden van de beperkingen in het eerste half jaar na het ongeval. Dit wordt door VGA niet betwist; er is geen reden om op voorhand aan te nemen dat aanvullend onderzoek door de verzekeringsarts niet relevant zou zijn.

Verzoek wordt toegewezen, net als de niet betwiste nevenverzoeken: (a) het in acht nemen van de leidraad deskundigenonderzoeken en (b) het vergoeden van alle hiermee verband houdende redelijke buitengerechtelijke kosten.

(3) de kosten van deze procedure te begroten op € 6.338,-, met veroordeling van VGA in de kosten van deze procedure. VGA voert verweer tegen het aantal in rekening gebrachte uren: 20.

De kantonrechter acht de kosten – inclusief het aantal uren, 14 v.w.b. de voorbereiding, 6 v.w.b. de zitting, incl. reistijd – redelijk. Het verzochte wordt toegewezen.

Opvallend is dat VGA een tegenverzoek indient: te bepalen dat met een slotbetaling van € 18.500,– de schade van betrokkene volledig is vergoed. De kantonrechter wijst dit verzoek – gezien het doel van een deelgeschilprocedure – af; instemming van het tegenverzoek betekent namelijk einde van de kwestie.

Deelgeschilprocedure wordt als incassoprocedure aangewend. Misbruik van procesrecht.

Rechtbank Den Haag
Belangenbehartiger verzoekt tot bevoorschotting en buitengerechtelijke kosten via een deelgeschilprocedure.
Verzoek Rechtbank
Verzoeker verzoekt de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:

(1) een maandelijkse bevoorschotting op adequate wijze met een redelijk bedrag tot een eindregeling is bereikt;

(2) voor recht te verklaren dat verweerder alle buitenrechtelijke kosten dient te vergoeden en te voldoen;

(3) verweerder te veroordelen tot betaling van de onbetaald gebleven buitengerechtelijke kosten van € 3.114,08 P.M., te voldoen binnen vijf dagen na het geven van de beschikking.

(1) In het verzoekschrift worden geen conclusies verbonden aan de opgesomde feiten en omstandigheden. Het mist een toelichting en onderbouwing. Daarnaast is de verzochte verklaring onvoldoende specifiek. Het verzoek wordt afgewezen.

(2)(3) De kantonrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het verzoekschrift aangegrepen is om de buitengerechtelijke kosten vergoed te krijgen. Dit is niet in overeenstemming met het doel van een deelgeschilprocedure. Daarnaast is geen sprake van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandeling tussen partijen. Verweerder is nog steeds doende met de schadebehandeling. In de onderhavige zaak lijkt eerder sprake van een incassoprocedure ter inning van de buitengerechtelijke kosten, waarmee gemachtigde van verzoeker misbruik maakt van het procesrecht.

Tevens overweegt de kantonrechter, overigens ten overvloede, dat verweerder – gelet op het feit dat aansprakelijkheid (nog) niet erkend is of vast staat – adequaat heeft bevoorschot. Door gemachtigde van verzoeker zijn buitenproportioneel veel uren gemaakt zonder een gefundeerde onderbouwing. Meegewogen hierin wordt dat aan de vorige belangenbehartiger € 6.000,– en aan de gemachtigde van verzoeker € 1.500,– is uitgekeerd, terwijl de schade nog wordt geïnventariseerd en de onderhandelingen gaande zijn.

Het verzoek wordt afgewezen.

(4) met begroten in veroordeling van verweerder in de kosten van het geding,  begroot op € 2.712,70, te vermeerderen met het griffierecht en een bedrag van € 1.205,64 voor de verdere behandeling van de procedure. (4) De begroting van de kosten blijven achterwege aangezien de deelgeschilprocedure onterecht is ingesteld doordat misbruik is gemaakt van het procesrecht.

 

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: