Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade

Logo OAK advocatenOp deze site worden de uitspraken in het kader van de Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade samengevat gepubliceerd en eventueel van kort commentaar voorzien. U kunt eenvoudig zoeken in de uitspraken: op specifieke woorden, maar u kunt ook alle uitspraken in categorieën bekijken.

Aanvullingen, suggesties of zelf een deelgeschil? info@oakadvocaten.nl

minimale en niet-authentieke aanrijding. Verzoeker deels niet ontvankelijk, voor het overige afgewezen.

Rechtbank Midden-Nederland 16 juli 2021
Verzoeker stelt als bestuurder van een auto te zijn aangereden en als gevolg daarvan letselschade te hebben opgelopen. Verzekeraar meent dat er geen sprake is van een authentieke aanrijding terwijl voor het overige letselschade niet denkbaar/aantoonbaar is.
Verzoek Rechtbank
verwijdering uit EVR Dit verzoek is gericht op een verzekeringsrechtelijke kwestie. liet gaat dus niet om een geschilpunt die ziet op hetgeen tussen partijen rechtens geldt in verband met de aansprakelijkheid voor schade door letsel. Voor dergelijke verzoeken is naar het oordeel van de kantonrechter de deelgeschilprocedure niet bedoeld.
vaststelling aansprakelijkheid ASR heeft gesteld en onderbouwd dat de geweldsinwerking van de aanrijding bij een snelheid van 4 tot 9 km/L1 zeer beperkt was en dat daaruit volgt dat dit in beginsel niet kan leiden tot het letsel dat [VERZOEKER] stelt. [VERZOEKER] heeft hier vervolgens onvoldoende tegenover gesteld. Er zijn door hem (medische) stukken overgelegd, maar op basis daarvan kan niet worden aangenomen dat [VERZOEKER]  schade heeft geleden als gevolg van het ongeval. Er valt niet uit af te leiden dat [VERZOEKER] beperkingen heeft die zijn te herleiden tot de aanrijding met een beperkte impact. De mogelijkheid daar bewijs voor te leveren past niet binnen dit deelgeschil.
voorschot € 1500,– idem
Kosten begroot de kosten van dit deelgeschil op een bedrag van € 1 .973,8 1 (tarief € 225,00 x 7,25 uren met 2 1% BTW) vermeerderd met € 240,00 aan griffierecht.

Een mondelinge uitspraak, waardoor de feiten in de uitspraak zelf niet of noodzaak de orde komen.

Gestelde (maar niet onderbouwde) verslechtering van de gezondheid geen reden om niet meer gehouden te zijn aan eerder deskundigenrapport.

Rechtbank Den Haag, 18 december 2020
Verweerder (afkomstig uit Australië, korte tijd na het voorval ook weer woonachtig in Australië) is tijdens werk in Den Haag betrokken geraakt bij een ongeval waarvoor NN aansprakelijkheid heeft erkend. Na een gecombineerde orthopedische/neurologische expertise stelt verweerder dat de klachten/beperkingen zijn verergerd en wenst (via een verzoekschrift deskundigenbericht) een nieuwe expertise. NN vordert dat verweerder gebonden is aan de rapportages van de orthopedische/neurologische expertise en het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Ook vordert zij medewerking bij een arbeidsdeskundig onderzoek. Beide verzoeken worden toegewezen met dien verstande dat de resultaten van een nog uit te voeren psychiatrisch onderzoek (toegewezen in een afzonderlijk voorlopig deskundigenbericht dat gelijktijdig werd behandeld) wordt meegenomen in het verzekeringsgeneeskundig rapport en arbeidsdeskundig onderzoek.
Verzoek Rechtbank
Het verzoek op grond van artikel 1019w Rv strekt ertoe:

(1) voor recht te verklaren dat verweerder gebonden is aan het rapport van het NOC van 29 maart 2012 alsmede de door dr. [verzekeringsgeneeskundige 2] opgestelde verzekeringsgeneeskundige rapportage van 26 april 2018 en de daarbij behorende FML en;

(1) Geen grond om aan de conclusies van de rapporten van gezamenlijk overeengekomen expertises voorbij te gaan. Geen sprake van zwaarwegende of steekhoudende bezwaren. Voor het standpunt van de verslechtering van de gezondheidssituatie heeft verweerder geen steekhoudende medische onderbouwing naar voren gebracht die gerechtvaardigd tot de conclusie kan leiden dat aan het neurologisch/orthopedisch rapport geen betekenis meer toekomt. Verzekeringsgeneeskundige die na de gestelde verslechtering van gezondheidssituatie is ingeschakeld acht geen grote verschillen aan de orde.
(2) verweerder te gelasten mee te werken aan een (gezamenlijk) arbeidsdeskundig onderzoek, op afstand, door de heer [arbeidsdeskundige] van Radar, op basis van voornoemde rapporten en de vraagstelling zoals opgenomen in productie 14 bij het verzoekschrift. (2) In tegelijkertijd aanhangig voorlopig deskundigenbericht is besloten dat er geen herexpertise op orthopedisch gebied zal plaats vinden, maar wel een psychiatrisch onderzoek. Verzekeringsgeneeskundige kan zo nodig de rapportage aanvullende met de bevindingen van de deskundige, waarna een arbeidsdeskundig onderzoek (behoefte aan huishoudelijke hulp en verzorging en omvang van het verlies van zelfwerkzaamheid) zal plaats vinden.
Tegenverzoek

Verweerder heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend, dat ertoe strekt:

(3) te bepalen dat NN aan verweerder een aanvullend voorschot betaalt van € 1.500 in verband met de door hem als gevolg van het ongeval gemaakte en nog te maken medische kosten die niet door de eigen zorgverzekeraar worden betaald;

(3) Op € 571,50 na is er geen concrete onderbouwing in de stukken aanwezig waaruit blijkt dat er een hoger bedrag aan zorgkosten niet is vergoed. Toewijzing van € 571,50.
(4) de kosten van zijn advocaat te begroten op 16,5 uur tegen een uurtarief van € 260 vermeerderd met 5% kantoorkosten en 21% BTW, derhalve in totaal een bedrag van € 5.450,45. (4) Het zelfstandig tegenverzoek zodanig verbonden met het verweer tegen het verzoekschrift dat daaraan in redelijkheid niet afzonderlijk een tijdsbesteding aan gekoppeld kan worden. Uren gemaximeerd tot 12. Kantoorkosten (5%) afgewezen bij gebreke aan een concrete toelichting. Uurtarief € 260,00 ex btw. 12 uur x € 260 exclusief btw = € 3.120, derhalve in totaal € 3.775,20 inclusief 21% btw

Het grootste deel van de deelgeschillen worden door een betrokkene opgestart. In deze zaak heeft de verzekeraar ook de noodzaak gevoeld om uit een impasse te komen. De rechter heeft in deze zaak (en die van het voorlopig deskundigenbericht) voldoende uitgangspunten gegeven om naar een vaststellingsovereenkomst toe te werken.

Werkgever heeft voldaan aan zorgplicht nu zij niet hoefde te waarschuwen; aansprakelijkheid afgewezen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres werkt bij verweerster (o.a. als medewerkster bezoekerscentrum). Eiseres is ten val gekomen toen zij bij het bezoekerscentrum heen en weer liep om circa 50 rugzakken naar buiten te verplaatsen. De rechtbank acht de Stichting niet aansprakelijk, omdat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. De rechtbank begroot de kosten.
Verzoek Rechtbank
Eiseres verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(1) voor recht te verklaren dat verweersters hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het door eiseres overkomen ongeval;

Vaststaat dat eiseres in de uitoefening van haar werk schade heeft geleden. Daarmee is de Stichting in beginsel aansprakelijk, tenzij zij aantoont dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan.

In uitzonderlijke situaties wordt de garderobe gebruikt om spullen van bezoekers op te slaan. Dit komt dus sporadisch voor. Daarom heeft de Stichting geen expliciete instructies opgesteld voor de manier van handelen van haar medewerkers in een dergelijke situatie.

Het naar buiten dragen van de rugzakjes vereist geen specifieke waarschuwing of instructies en is op zichzelf geen risicovolle bezigheid. Het gevaar van struikelen over de rugzakjes die al op de plek lagen, is een gevaar dat algemeen bekend verondersteld mag worden. Daarnaast mocht van eiseres enige oplettendheid worden verwacht om een dergelijk gevaar te voorkomen. De rondslingerende rugzakjes waren duidelijk zichtbaar. Desondanks heeft eiseres er zelf voor gekozen om met 3 rugzakken in iedere hand naar buiten te lopen en dit gehaast te doen. De door eisers aangedragen omstandigheid van onderkoeling van de bezoekers is onvoldoende gemotiveerd.

Er is volgens de rechtbank sprake van een huis-tuin- en keukenongeval door een combinatie van onoplettendheid, pech en de afwegingen die eiseres zelf heeft gemaakt. De Stichting behoefde eiseres niet te waarschuwen. Gelet daarop is de Stichting niet aansprakelijk voor de door eiseres geleden schade.

(2) voor recht te verklaren dat verweersters gehouden zijn tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten; Nu de Stichting niet aansprakelijk is, komt deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking.
(3) de kosten te begroten op een bedrag van € 17.114,24 (26 uur tegen € 544,-) en verweersters hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder de advocaatkosten en het griffiegeld. De rechtbank acht een urenaantal van 21 en een uurtarief van € 272,- redelijk. De rechtbank begroot de kosten daarom op een bedrag van € 7.410,52 (inclusief het vastrecht). Het verzoek om verweersters in de kosten te veroordelen wordt afgewezen, nu de aansprakelijkheid niet vast is komen te staan.

 

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: