Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade

Logo OAK advocatenOp deze site worden de uitspraken in het kader van de Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade samengevat gepubliceerd en eventueel van kort commentaar voorzien. U kunt eenvoudig zoeken in de uitspraken: op specifieke woorden, maar u kunt ook alle uitspraken in categorieën bekijken.

Aanvullingen, suggesties of zelf een deelgeschil? info@oakadvocaten.nl

Deskundigenbericht op gezamenlijk verzoek leidend

Rechtbank Amsterdam, 16 mei 2019
Verzoekster stond als passagier in een bus van het GVB. Deze bus was aangereden door een bus van EBS. Verzoekster werd enige meters door de bus gelanceerd. Verzoekster heeft daarbij verschillende klachten opgelopen. Op gezamenlijk verzoek is een expertise op orthopedisch en op KNO gebied verricht.
Verzoek Rechtbank
Verzoekster verzoekt (…) om:

(1) te verklaren voor recht dat het door verzoekster opgelopen gehoorverlies van het rechteroor en de evenwichtsstoornis (duizeligheid) als ongevalsgevolg moeten worden aangemerkt en (…);

(1) Verzoekster maakt bezwaar tegen het rapport omdat nadien nieuwe informatie beschikbaar is. In de eindversie van het rapport is de nieuwe informatie meegenomen. De conclusie in het rapport van de KNO-arts is op consistente, inzichtelijke en logische wijze onderbouwd. De rechtbank zal zich daarom baseren op de bevindingen en conclusies in dit rapport. Op basis daarvan is de rechtbank van oordeel dat het door verzoekster opgelopen gehoorverlies van het rechteroor en de evenwichtsstoornis (duizeligheid) niet als ongevalsgevolg kan worden aangemerkt.

(Naam professor) heeft immers zeer specifiek gemotiveerd en nadrukkelijk geconcludeerd dat de huidige klachten en afwijkingen “er ook zouden zijn geweest indien het ongeval verzoekster niet was overkomen” (…) en dat het (zonder ongeval) “zeker is” dat deze in dezelfde omvang en op dezelfde termijn hadden kunnen ontstaan” (…) . Geen taak weggelegd voor de deskundige voor het vinden van een alternatieve oorzaak. Verklaring voor recht afgewezen.

(2) te bepalen dat VGA c.s. jegens verzoekster veroordeeld wordt tot betaling van een voorschot onder algemene titel van € 10.000,00 en een voorschot op smartengeld van € 3.000,00; (2) Verzoek nadere bevoorschotting afgewezen. In totaal € 63.000,00 bevoorschot. Onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen vaststellen om aanspraak te hebben op schadevergoeding ter zake van verschenen materiële schade die de reeds door VGA betaalde voorschotten overstijgt. Ditzelfde geldt voor het gevorderde voorschot voor immateriële schade.
(3) met veroordeling van VGA c.s. in de kosten, begroot als bedoeld in artikel 1019aa Rv, van deze procedure. (3) Er worden uren gevorderd die geen verband houden met de deelgeschilprocedure. Sprake van meerdere belangenbehartigers, daardoor 8 uur redelijk. 14 uur opstellen verzoekschrift/bijwonen zitting toegewezen. In totaal 30,9 uur, 22 uur toegewezen. Uurtarief € 250,00 is niet onredelijk.

Wil een van de partijen zich onttrekken aan het oordeel van een gezamenlijk ingeschakelde deskundige dan zal moeten worden gemotiveerd dat een rapport niet op een consistente, inzichtelijke en logische wijze is onderbouwd. Verder wordt aan verzoekster geen ruimte geboden om juridisch causaal verband aan te tonen, omdat de deskundige heeft aangegeven dat de klachten in dezelfde omvang en op dezelfde termijn er ook zouden zijn geweest zonder ongeval.

Causaal verband tussen ongeval en gezondheidsklachten, maar onvoldoende aanknopingspunten om arbeidsongeschiktheid aan ongeval toe te rekenen

Rechtbank Rotterdam, 18 juni 2019
Door een frontale botsing heeft verzoekster ernstig letsel opgelopen. Partijen twisten, aan de hand van deskundigerapporten, enerzijds over het causale verband tussen de gezondheidsklachten en het ongeval en anderzijds of de toegenomen arbeidsongeschiktheid volledig toe te rekenen is aan het ongeval. Dat laatste kan niet in deelgeschil worden bepaald.
Verzoek Rechtbank
Verzoekster verzoekt (…) uitvoerbaar bij voorraad,

(1) voor recht te verklaren dat de gezondheidsklachten van verzoekster juridisch volledig causaal aan het ongeval van 20 oktober 2005 toegerekend moeten worden

(2) voor recht te verklaren dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid volledig aan het ongeval van 20 oktober 2005 toegerekend moeten worden

(1) Er is sprake van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten die na het ongeval steeds zijn benoemd. Het bestaan van de klachten is door verzoekster daarmee voldoende aannemelijk gemaakt. Verder zijn er geen aanknopingspunten dat de medische voorgeschiedenis van invloed is geweest op het huidige klachtenbeeld. Dat verzoekster al bepaalde klachten had, die uiteindelijk zouden hebben kunnen leiden tot gestelde gezondheidsklachten, doet hier niets aan af. Verzoekster dient te worden genomen zoals zij is. Verzoekster heeft zich voldoende ingespannen om een bijdrage te leveren aan het herstelproces. De rechtbank verklaart daarom voor recht dat de gestelde gezondheidsklachten het gevolg zijn van het ongeval.

(2) Uit het bestaan van klachten volgt niet automatisch het bestaan van beperkingen, terwijl beperkingen niet automatisch leiden tot schade in de zin van verdienvermogen. De deskundigerapporten bieden onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de gezondheidsklachten in relatie staan tot haar (volledige) arbeidsongeschiktheid. Nader bewijs is nodig. De deelgeschilprocedure leent zich daarvoor niet.

(3) Allianz te veroordelen tot het betalen van de buitengerechtelijke kosten, een bedrag van € 17.547,61

(4) Allianz te veroordelen in de kosten van het deelgeschil, te begoten op een bedrag van € 7.964,95, te vermeerderen met de kosten van de mondelinge behandeling en de verschuldigde griffierechten

(3) De rechtbank is van oordeel dat het bedrag van € 17.547,61 niet onredelijk is, gezien het tijdsverloop, de complexiteit van de zaak en de expertise van de advocaat. Daarbij komt dat de exacte omvang van de schade nog niet vaststaat. De kosten van een vorige belangenbehartiger – ofwel ‘dubbel werk’ – worden niet in mindering gebracht, aangezien verzoeker geen ervaring heeft met het behandelen van juridische zaken en het dan kan voorkomen dat zij tot inzicht kan komen dat zij in een andere belangenbehartiger meer vertrouwen heeft.

(4) Bij de begroting van de kosten dient rekening te worden gehouden met de dubbele redelijkheidstoets. Tot het moment van de zitting is door mr. Takkenberg voor € 9.915,29 aan kosten gemaakt. De rechtbank acht zowel de gedeclareerde uren als het gehanteerde uurtarief redelijk en begroot daarom de kosten van de deelgeschilprocedure op € 9.915,26. Aangezien de aansprakelijkheid is erkend wordt Allianz veroordeelt tot betaling van deze kosten van de deelgeschilprocedure.

 

 

‘Formeel tarief’ of ‘informeel tarief’ bij zorg op maat?

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partner van verzoeker heeft de zorg voor verzoeker overgenomen van de professionele hulpverlener aangezien nauwkeurige zorg verleend moet worden die een professionele hulpverlener niet kan geven. Verzoeker acht een hogere vergoeding, dan wat op basis van het PGB wordt toegekend, redelijk.
Verzoek Rechtbank
Verzoeker verzoekt (…) voor recht te verklaren

(1) dat hij recht heeft op een vergoeding van € 30,00 per uur voor de met stoma gerelateerde zorg tot een gezamenlijk te bepalen datum in de toekomst

Aangenomen wordt dat de partner van verzoeker de zorg van de wijkverpleegkundigen heeft overgenomen en dezelfde zorg is gaan verlenen. Ook wordt aangenomen dat zij haar baan heeft opgezegd om zorg op maat te kunnen geven die professionele hulpverleners niet kunnen verlenen. De zorg wordt daarom niet alleen in sociale context gegeven, maar heeft ook een beroepsmatig karakter. Het ligt daarom voor de hand dat het tarief meer bij het ‘formele tarief’ van de Zorgverzekeringswet – € 38,00 per uur – gezocht moet worden, dan bij het ‘informele tarief’ – € 23,00 per uur -, dat geldt voor in een sociale context verleende zorg. Aan de hand van het arrest van de Hoge Raad (vgl. HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564) heeft verweerster onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat ‘verzorgende C’ en ‘verzorgende IG’ – met de daarmee samenhangende lagere uurlonen – hier als professionele hulpverleners kunnen worden gezien. Het inkomen van deze hulpverleners kunnen dan ook niet als plafond voor de vergoeding dienen. De rechtbank verklaart voor recht dat een vergoeding van € 30,00 per uur redelijk is.
(2) om de kosten van het deelgeschil te begroten De rechtbank begroot de kosten op tien uur tegen een uurtarief van € 225,00, vermeerderd met 5% kantoorkosten en btw. De rechtbank gaat uit van zes uur in verband met de voorbereiding en het opstellen van het verzoekschrift, twee uur in het verband met het bestuderen van het verweerschrift en de voorbereiding van de zitting en twee uur in verband met de mondelinge behandeling. De rechtbank neemt het overlegde urenoverzicht van verzoeker niet mee in de beoordeling aangezien het onvoldoende is toegelicht en het in een te laat stadium is overlegd waardoor verweerster daarop niet heeft kunnen reageren. Het vermeerderen van het uurtarief met 5% wordt niet als onredelijk gezien. De kosten worden begroot op € 2.362,50 exclusief btw en € 79,00 aan griffierecht.

Doordat door partner zorg op maat geboden wordt die professionele hulpverleners niet kunnen geven acht de rechtbank een tarief redelijk dat meer bij het ‘formele tarief’ dan bij het ‘informele tarief’ van de Zorgverzekeringswet ligt.