Met ingang van 1 juli 2010 is de wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade in werking getreden.
Het doel van die wet is om snelle afhandeling van letsel- en overlijdenszaken mogelijk te maken.
Of dat -door deze wet- gaat lukken is nog maar de vraag. De toekomst moet dat gaan leren.

Onderwerpen
Gratis advies?

postheadericon Geen aansprakelijkheid ziekenhuis voor zenuwbeschadiging die na knieoperatie wordt geconstateerd

rechtbank Roermond 25 april 2012, Stichting PIV
Bij verzoekster is in ziekenhuis (evenals Centramed verweeder) knieprothese in linkerknie geplaatst. Na operatie blijkt linkeronderbeen gedeeltelijk verlamd te zijn. Er wordt een kwetsuur aan de grote heup-/bovenbeenzenuw geconstateerd. Aansprakelijkheid wordt betwist. De rechtbank wordt verzocht om voor recht te verklaren dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade voorvloeiend uit de knieoperatie.
De rechtbank passeert het verweer dat deze zaak zich niet leent voor deelgeschilbehandeling.
De rechtbank oordeelt dat het ziekenhuis niet is tekortgeschoten in de informatieplicht. Verzoekster is voldoende voorgelicht over de voorzienbare risico’s van de operatie. Nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat het letsel is ontstaan als gevolg van de operatie, betreft het een zo weinig voorkomende complicatie dat hiervoor niet hoefde te worden gewaarschuwd.
Omdat verzoekster onvoldoende heeft gesteld komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of sprake is van medische fout.
Het verzoek wordt afgewezen. Hoewel niet is verzocht om begroting, worden de kosten begroot, waarbij de rechtbank aanhaakt bij het forfaitaire tarief.

Dat de kosten zonder daartoe strekkend verzoek toch worden begroot is discutabel. Dit geldt temeer aangezien afwijzing van het verzoek voor de hand leek te liggen.

4. De beoordeling

4.1. In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w-1019cc Rv.

4.2. De rechtbank overweegt dat de deelgeschilprocedure volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade (hierna: de Wet deelgeschillen) de mogelijkheid biedt in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 2). Gezien de ratio van de deel geschil procedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient te rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

4.3. Bij de beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor beoordeling in een deelgeschilprocedure stelt de rechtbank voorop dat in de memorie van toelichting bij voornoemde wet is vermeld dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Net als bij andere deelgeschillen zal moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure (31518, nr. 3, p. 10). Tegen deze achtergrond is het enkele feit dat niet alleen de aansprakelijkheidsvraag partijen nog verdeeld houdt, maar ook andere zaken, niet voldoende voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor behandeling in de deelgeschilprocedure. De aansprakelijkheidsvraag betreft immers een geschilpunt aan het begin van het traject van de minnelijke onderhandelingen en een oordeel van de rechtbank op de aansprakelijkheidsvraag zou, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, buitengerechtelijke onderhandelingen op gang kunnen brengen. Weliswaar is de deelgeschilprocedure niet bedoeld om partijen aan de onderhandelingstafel te dwingen, maar in onderhavige kwestie is door het ziekenhuis niet gemotiveerd gesteld dat zij, als de aansprakelijkheid vast komt te staan in onderhavig geschil, niet bereid is om te gaan onderhandelen, zodat de rechtbank dan ook van oordeel is dat onderhavige deelgeschilprocedure voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van (nadere) onderhandelingen en daarmee mogelijk tot een minnelijke regeling. Immers van belang is of de verzochte beslissing een voldoende bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, niet dat de beslissing per definitie dient te leiden tot een vaststellingsovereenkomst.

4.4. De rechtbank komt derhalve toe aan de door [benadeelde] voorgelegde vraag of het ziekenhuis aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade voortvloeiend uit de knieoperatie d.d. 17 februari 2009.

4.5. Informed consent
[benadeelde] is van mening dat zij onvoldoende is geïnformeerd voor de operatie over de mogelijkheid tot het oplopen van een zenuwbeschadiging. Te meer, nu aan haar geen folder is verstrekt waarin de verwachtingen en risico’s van de door haar ondergane knieoperatie staan vermeld. Indien en voor zover deze folder wel aan haar was overhandigd dan nog zou [benadeelde] onvoldoende ingelicht zijn, omdat daarin geen melding wordt gemaakt van de complicatie die bij haar is opgetreden. Er wordt in die folder überhaupt niet over de complicatie van zenuwbeschadiging gesproken.

4.6. De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Ais onbetwist staat vast – nu dat door [benadeelde] niet is betwist – hetgeen drs. Van Eijdems in de brief van 5 februari 2009 aan de huisarts van [benadeelde] schrijft: dat hij de patiënte [benadeelde] heeft voorgelicht ook over de gevolgen en risico’s van een knieoperatie waarbij een knieprothese wordt geplaatst. Voorts is door [benadeelde] niet de stelling van het ziekenhuis betwist dat zij met alle patiënten het risico van een zenuwbeschadiging bij plaatsing van een knieprothese bespreekt Aldus wordt als vaststaand er vanuit gegaan dat met [benadeelde] de risico’s, waaronder ook het gestelde risico op een zenuwbeschadiging, zijn besproken. [benadeelde] betwist wel dat het onwaarschijnlijk is dat het ziekenhuis het risico op een zenuwbeschadiging bespreekt erop gelet dat in de gebruikte patiëntenfolders niet wordt gewezen op een mogelijke zenuwbeschadiging als gevolg van de operatie. Echter, hiermee betwist [benadeelde] niet dat niet met haar specifiek is gesproken over het risico van een zenuwbeschadiging. De rechtbank gaat er dan ook aan voorbij dat [benadeelde] niet voldoende zou zijn voorgelicht. Meer specifiek komt dan het – kennelijke – verwijt van [benadeelde] aan de orde waarom zij niet is ingelicht over het door haar overkomen kwetsuur aan de nervus ischiadicus. De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde] niet onterecht in het ongewisse is gelaten over het feit dat die kwetsuur kan ontstaan. Nog daargelaten dat niet is vast komen te staan dat die kwetsuur is ontstaan als gevolg van de operatie, is dit een mogelijke complicatie als gevolg van een knieoperatie, die, zoals door het ziekenhuis onbetwist is gesteld, zo weinig voorkomt, dat niet gezegd kan worden dat als de patiënt daarover niet wordt geïnformeerd er sprake is van schending van de informatieplicht door de behandelende arts. Immers een arts hoeft de patiënt niet, zo al mogelijk, op alle mogelijke risico’s te wijzen. De arts moet de patiënt zoals bepaald in art 7:488 BW over de normale, voorzienbare risico’s van de behandeling informeren. Van een voorzienbaar risico is in dit geval geen sprake. [benadeelde] brengt zulks ook zelf naar voren in haar verzoekschrift in punt 8. Daarin stelt zij immers dat in de literatuur niet tot nauwelijks melding wordt gemaakt van de bij [benadeelde] opgetreden complicatie. Het verzoek om voor recht te verklaren dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor enigerlei door [benadeelde] gestelde geleden schade als gevolg van schending van de wettelijke informatieplicht wordt dan ook afgewezen.

4.7. Medische kunstfout
[benadeelde] stelt dat meergenoemde kwetsuur een medische fout is. De beschadiging van de zenuw behoort volgens haar tot een vermijdbaar probleem, omdat het niet valt in de categorie te verwachten c.q. mogelijke complicaties. Het ziekenhuis verweert zich met de stelling dat de operatie lege artis is uitgevoerd en dat gelet op de locatie van de laesie en het feit dat het werkterrein van de operateur zich niet zo hoog boven de knie bevindt, maar eerder op de hoogte van de knie en het gebied daarjuist onder, de operatie niet kan hebben geleid tot de kwetsuur die zich bij [benadeelde] voordoet. Voor het ziekenhuis is het verder tot op heden onbegrijpelijk waardoor de laesie is ontstaan. Het is heel wel mogelijk dat deze zelfs na de operatie is ontstaan, bijvoorbeeld door een hematoom. Op welk moment de laesie is ontstaan, is derhalve ongewis, maar ook is daardoor ongewis welk handelen of nalaten daarvoor verantwoordelijk is en in hoeverre bijvoorbeeld ook andere omstandigheden daarbij een rol hebben gespeeld, aldus het ziekenhuis.

4.8. De rechtbank overweegt als volgt. Zij komt niet toe aan de beoordeling of er sprake is van een vermijdbare complicatie. Daarvoor is door [benadeelde] onvoldoende gemotiveerd gesteld in het licht van de betwisting van het ziekenhuis. Het had op de weg van [benadeelde] gelegen zich nader uit te laten over de vraag wat nu precies het ziekenhuis wordt verweten waardoor er sprake is van een medische fout, zodat ten minste een begin van aannemelijkheid van een medische fout ontstaat. Daarvoor is de enkele stelling dat door de arts het been verkeerd is gehanteerd onvoldoende alsook de enkele stelling dat de laesie niet een complicatie is die gebruikelijk is en derhalve een medische kunstfout. Immers een complicatie die zich zelden voordoet, maakt daarom nog niet dat er sprake is van een medische fout.

4.9. Longlijden
Ter zake hiervan overweegt de rechtbank als volgt. [benadeelde] heeft aangegeven dat het missen van de diagnose (beginnende) longontsteking gezien kan worden als een tekort in het protocol van de preoperatieve screening bij mensen met risicofactoren, waaronder [benadeelde]. Was die diagnose wel gesteld, dan was de operatie uitgesteld en was het onderhavige letsel als geval van de operatie niet opgetreden, aldus [benadeelde]. Het ziekenhuis heeft gemotiveerd betwist dat daags voor de operatie geen onderzoek heeft plaatsgevonden en zich voorts op het standpunt gesteld dat een onderzoek geen dan wel onvoldoende indicatie voor een infectie zou hebben opgeleverd.
Wat er ook zij van de inhoudelijke kant van deze kwestie, de rechtbank is van oordeel dat de stelling van [benadeelde] niet kan slagen. Onder 4.8 is immers geoordeeld dat er geen sprake is van een tijdens de operatie gemaakte medische fout. Dat [benadeelde], buiten het door haar gestelde letsel aan de knie als gevolg van de operatie, nog (andere) schade als gevolg van het longlijden heeft geleden, is gesteld noch gebleken.

4.10. Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek van [benadeelde] afgewezen.

4.11. Met betrekking tot een proceskostenveroordeling overweegt de rechtbank dat door [benadeelde] geen daarop gericht verzoek is gedaan. Op grond van het bepaalde in artikel 1019aa Rv begroot de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de verzoeker in de beschikking en neemt daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, BW in aanmerking. Gelet op de redactie van deze bepaling dient de rechtbank ook ambtshalve tot begroting over te gaan. Door [benadeelde] is geen opgave gedaan van de in het kader van het verzoekschrift gemaakte kosten. De rechtbank zal deze kosten begroten met inachtneming van het geldende forfaitaire tarief. Er wordt uitgegaan van twee punten, één voor de indiening van het verzoekschrift en één voor de mondelinge behandeling, tegen een waarde van € 452,00 per punt, te vermeerderen met het door [benadeelde] betaalde griffierecht ad € 260,00.

4.12. Uit artikel 1019aa leden 1,2 en 3 Rv en de toelichting daarop blijkt dat de rechter in de deelgeschilprocedure ingeval de aansprakelijkheid voor de geleden schade onvoldoende vaststaat dient te volstaan met een begroting van de proceskosten, zonder daarbij een proceskostenveroordeling uit te spreken. Nu de rechtbank in het voorliggende geval aansprakelijkheid van het ziekenhuis afwijst, wordt derhalve volstaan met een begroting van de proceskosten.

5. De beslissing

5.1. De rechtbank:

5.1. Wijst het verzoek af,

5.2. Begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 1.164,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.E. Derks en ter openbare civiele terechtzitting van 25 april 2012 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

postheadericon voetganger geraakt door hockeybal: onrechtmatige daad

rechtbank ‘s-Hertogenbosch (sector kanton, locatie Eindhoven) 8 mei 2012, LJN: BW5476
Verzoekster loopt over voetpad achter hockeyveld als zij tijdens oefenening op het doel aan het hoofd wordt geraakt door hockeybal. Zij verzoekt om te bepalen dat degene die de hockeybal sloeg (verweerster 2) aansprakelijk is voor de ontstane schade en dat verzekeraar ZLM (verweerster 1) gehouden is om de schade volledig te vergoeden. Verweersters betwisten dat onrechtmatig is gehandeld.
Volgens de rechtbank was de mogelijkheid dat bij de oefening ballen over de ballenvanger worden geslagen die op hoofdhoogte over het voetpad gaan, voorzienbaar voor verweerster 2 en was zij ermee bekend dat het voetpad druk werd gebruikt. Er is sprake van een onrechtmatige daad. Het verzoek wordt toegewezen, waarbij de kosten worden begroot.

Er vliegen met enige regelmaat ballen over het druk gebruikte voetpad. Het is denkbaar dat de hockeyclub eveneens aansprakelijk kan zijn op grond van onrechtmatige daad, misschien is dat veel logischer dan een hockeyspeler daarvoor verantwoordelijk houden…
Wat hiervan ook zij, de hockeyclub doet er verstandig aan om te voorkomen dat voetgangers in de toekomst kunnen worden geraakt.

5. De beoordeling

5.1. Partijen hebben verklaard de kantonrechter te Eindhoven als bevoegde rechter aan te wijzen voor het geval de zaak ten principale aanhangig zou worden, zodat, gelet ook op de gestelde omvang van de te vorderen schade, de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

5.2. Op grond van de vaststaande feiten kan het volgende worden vastgesteld. [verweerder sub 2] heeft het onderdeel van de training ‘oefenen op goal’ uitgevoerd, een oefening waarbij hockeyballen hoog op doel moeten worden geslagen en waarbij het veelvuldig voorkomt dat de bal niet in het doel belandt maar daaróver en zelfs over de achter het doel aanwezige ballenvanger. ZLM en [verweerder sub 2] hebben gesteld dat de meeste ballen in de vijver terecht komen maar gelet op de positionering van het voetpad ten opzichte van het doel en de ballenvanger en op de omstandigheid dat er ook ballen stuiterend en rollend in de vijver terecht komen, zullen er hockeyballen die over de ballenvanger gaan ook een zodanige baan beschrijven dat zij op hoofdhoogte het voetpad kunnen kruisen. De mogelijkheid dat [verweerder sub 2] bij de uitvoering van deze oefening een of meer ballen over de ballenvanger zou slaan die op hoofdhoogte over het voetpad zouden gaan, was daarom voor haar voorzienbaar. [verweerder sub 2] was er mee bekend dat het achter het doel gelegen voetpad druk werd gebruikt door voetgangers die van de parkeerplaats naar de tennisbanen gingen en dat er ook tijdens de uitvoering van dit onderdeel van de training voetgangers van het voetpad gebruik maakten. De mogelijkheid dat een over de ballenvanger geslagen bal een op het voetpad aanwezige voetganger zou raken, was voor [verweerder sub 2] eveneens voorzienbaar. [verweerder sub 2] is niet met de oefening gestopt op het moment dat [verzoekster] over het voetpad achter het doel liep. Overigens is gesteld noch gebleken dat zij een waarschuwing heeft geroepen naar [verzoekster] toen de bal over de ballenvanger ging. [verweerder sub 2] heeft het voor haar kenbare risico genomen dat [verzoekster] door een hockeybal zou worden geraakt door de oefening uit te voeren terwijl [verzoekster] over het voetpad achter het doel liep. Dit levert een onrechtmatige gedraging op van [verweerder sub 2] tegenover [verzoekster]. [verweerder sub 2] moet daarom aansprakelijk worden gehouden voor het ontstaan van de letselschade zodat dienovereenkomstig zal worden beslist. ZLM heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek om bij vaststelling van de aansprakelijkheid te beslissen dat zij gehouden is om de schade volledig aan [verzoekster] te vergoeden, zodat ook dat verzoek zal worden toegewezen.

5.3. [verzoekster] heeft verzocht te beslissen dat ZLM gehouden is het griffierecht, de kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de kosten voor het bijwonen van de comparitie te vergoeden. Hiervoor biedt het bepaalde in de artikelen 1019w en verder geen grond. Het bepaalde in artikel 1019aa Rv houdt in dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door letsel lijdt, begroot. De omstandigheid dat [verzoekster] een rechtsbijstandsverzekering heeft brengt niet mee dat [verzoekster] geen aanspraak zou kunnen maken op begroting van die kosten. De door ZLM genoemde omstandigheid dat het convenant Buitengerechtelijke Kosten uitgaat van een vergoeding van kosten wanneer tussen partijen een minnelijk regeling wordt getroffen ten aanzien van de totale schade en dat er van een dergelijke regeling geen sprake is, leidt er evenmin toe dat voor begroting van kosten geen plaats is. ZLM heeft tegen de hoogte van de kosten geen verweer gevoerd zodat deze zullen worden begroot op in totaal € 720,-, zijnde 8 uur à € 90,- , exclusief btw.

6. De beslissing

De kantonrechter:

Bepaalt dat [verweerder sub 2] aansprakelijk is voor het ontstaan van de letselschade van [verzoekster] en dat ZLM gehouden is om deze schade volledig aan [verzoekster] te vergoeden.

Begroot de kosten bij de behandeling van het verzoek van [verzoekster] op de voet van artikel 1019aa Rv op € 720,-, exclusief btw.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J.C. Adang, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2012.

postheadericon rechtbank ziet causaal verband tussen ongeval en depressieve stoornis

rechtbank Breda 16 april 2012, LJN: BW4353
Verweerster De Vaderlandsche heeft aansprakelijkheid erkend voor achteropaanrijding. Volgens verzoeker heeft hij als gevolg van ongeval depressieve stoornis. Causaal verband wordt betwist.
De rechtbank oordeelt op basis van het op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebracht psychiatrisch rapport dat het (juridisch) causaal verband tussen de depressieve stoornis en het ongeval in voldoende mate is komen vast te staan. De vraag of en in hoeverre sprake is van een persoonlijke – psychische – predispositie kan in aanmerking worden genomen bij de (in dit deelgeschil niet aan de orde zijnde) bepaling van de schadeomvang.
De rechtbank bepaalt dat alle in het psychiatrisch rapport omschreven beperkingen als gevolg van het ongeval moeten worden toegerekend en dat de daarmee verband houdende schade door verweerster behoort te worden vergoed. Verweerster wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De psychiater heeft niet kunnen vaststellen dat de depressieve stoornis ongevalgevolg is. Door op basis van het psychiatrisch rapport toch tot causaal verband te komen, gaat de rechtbank erg kort door de bocht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat een depressieve stoornis veelal juist een andere oorzaak heeft dan een ongeval.

3. De beoordeling

3.1. Gelet op de omstandigheid dat partijen in België woonachtig respectievelijk gevestigd zijn, dient de rechtbank allereerst te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en, zo dit het geval is, welk recht op de rechtsverhouding van partijen van toepassing is.

3.2. Nu het schadetoebrengende feit (een verkeersongeval) zich in Goirle heeft voorgedaan, is de Nederlandse rechter op grond van art. 5 lid 3 EEX-Verordening (Verordening EG 44/2001 van de Raad van 22 december 2000) bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen.
De vraag welk recht van toepassing is dient te worden beantwoord aan de hand van het Haagse Verdrag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971, 118). Aangezien het ongeval in Goirle heeft plaatsgevonden en gesteld noch gebleken is dat sprake is van omstandigheden die leiden tot toepassing van de uitzonderingsbepalingen van voormeld verdrag, is ingevolge de in art. 3 van voormeld verdrag neergelegde hoofdregel Nederlands recht van toepassing.

3.3. De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:
a. Op 21 november 2000 is [verzoeker], toen hij in zijn (personen)auto stond te wachten voor een stoplicht in Goirle, van achteren aangereden (hierna: het verkeersongeval) door J. Velden. De aansprakelijkheid waartoe de personenauto van Velden in het verkeer aanleiding kan geven, was krachtens de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen verzekerd bij De Vaderlandsche;
b. De Vaderlandsche heeft aansprakelijkheid voor het verkeersongeval erkend. Zij heeft in de periode van 2001 tot en met 2008 een aantal malen voorschotbedragen aan [verzoeker] uitgekeerd;
c. [verzoeker] was vanaf 1990 als vrachtwagenchauffeur in dienst bij Hoogen Transport. Sinds het verkeerongeval heeft [verzoeker] geen loonvormende arbeid meer verricht en ontvangt hij een uitkering, aanvankelijk krachtens de Ziektewet en nadien krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Daarnaast ontvangt hij van zijn ex-werkgever maandelijks een bedrag van EURO 400,00. [verzoeker] doet enkele uren per week vrijwilligerswerk op een basisschool in Poppel;
d. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft [psychiator], psychiater (hierna: [psychiator]), verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, een expertise verricht. In zijn rapport van 11 maart 2011 staat onder meer:

“(…)Conclusie

Betrokkene heeft na een achterop aanrijding klachten gekregen zoals die vaak in deze omstandigheden voorkomen, met name nekklachten en hoofdpijn, maar bij hem zijn deze klachten niet meer overgegaan. De nekpijn is wel naar de achtergrond verdwenen, maar hoofdpijn is een aanhoudende en wat hem betreft de centrale klacht tot heden. Daarbij is hij futloos en initiatiefloos, voelt hij zich altijd moe, kan hij zich nauwelijks tot iets zetten en moeten zijn ouders voor zijn dagstructuur zorgen. Hij maakt een depressieve indruk, geheel conform de informaties die over de afgelopen jaren over hem bekend zijn. Het onderzoek bevestigt dat gesproken moet worden van een depressieve stoornis (DSM-IV criteria). De hoofdpijn, waarvan op basis van eerder onderzoek en neurologische expertise moet worden aangenomen dat er geen somatische verklaring te vinden is, kan in het DSM-IV begrippenkader aanvullend geclassificeerd worden als een somatoforme pijnstoornis, maar dit heeft geen verklarende betekenis. De beschikbare informatie wijst er op dat zijn functioneren drastisch is verslechterd en dat hij afhankelijk functioneert en zelf geen richting geeft aan zijn leven. Uit huisartsinformatie blijkt dat hij vóór het ongeval in 2000 neigde tot rugklachten en dat hij ook al eerder in samenhang met een vermoedelijk kleine aanrijding last had van nekklachten en hoofdpijn. Het geheel aan beschikbare informaties maakt een consistente indruk. Al in 2001 sprak zijn behandelend psychiater over een pijnstoornis en een depressieve stoornis. Dat is nu niet anders, maar de volgorde zou ik omkeren, hoewel in zijn beleving de hoofdpijn wel vooraf gaat. De indruk van de psychiater Colon in 2006, dat sprake zou zijn van een chronische psychotische stoornis, kan ik niet bevestigen. Anderen hebben dat ook niet gedaan. Ik kan ook geen katatone verschijnselen waarnemen, wel een tremor die ik duid als uiting van gespannenheid.

Beantwoording van de vraagstelling

1. Welke zijn de huidige klachten en welke afwijkingen neemt u waar bij uw onderzoek? Welke diagnose stelt u voorop?

Zie verslag. Ik vind dat de depressieve stoornis voorop gesteld moet worden. Daarnaast kan de persisterende hoofdpijn gerubriceerd worden (niet ‘verklaard’) als een pijnstoornis. Beide conform DSM-IV criteria.

2. Hoe is het beloop van de klachten tot nu toe geweest?

Ik moet aannemen dat de hoofdpijn een chronische klacht is. De behandelend psychiater sprak een jaar na het ongeval over een depressieve stoornis; die aanduiding was niet eerder gebruikt. Sindsdien zijn de depressieve klachten kennelijk gebleven, maar het valt natuurlijk wel op dat ze bij divers psychiatrische expertises niet vermeld worden. Ik kan dat niet verklaren; ik kan slechts vaststellen dat de diagnose depressieve stoornis mijns inziens thans zeker van toepassing is en ik stel vast dat de behandelend psychiater daarin consistent is.

3. Welke van de huidige klachten en afwijkingen op uw vakgebied zouden thans waarschijnlijk afwezig zijn als het ongeval niet had plaatsgevonden?

Hoofdpijn is blijkens de huisartsgegevens ook vóór het ongeval in 2000 een klacht geweest, maar het staat niet vast dat dit méér dan een voorbijgaande klacht was destijds. Zou zonder ongeval in 2000 nu geen hoofdpijnklacht bestaan? Ik kan geen medisch causaal verband met het ongeval aantonen nu de neurologische expertise daar geen aanwijzingen voor heeft aangeleverd. Hoofdpijn zonder organisch substraat komt zeer veel voor en alleen al daarom is het aannemelijk dat betrokkene er niet in enigerlei mate last van had kunnen hebben, het ongeval weggedacht. Hoofdpijn wordt gewoonlijk beschouwd als een neurologische diagnose. Weliswaar kent de psychiatrie de categorie pijnstoornis, maar ik meen dat de beoordeling van deze klacht toch op neurologisch terrein dient te liggen. Probleem is altijd wel dat de ernst niet te objectiveren is en dat de preoccupatie er mee individueel bepaald is. De depressieve stoornis vloeit in de beleving van betrokkene voort uit de hoofdpijn. Ik sluit dat ook niet uit, maar moet toch vaststellen dat dit een ongebruikelijk gevolg is. Aanlegfactoren en persoonlijkheidskenmerken hebben als regel duidelijk invloed op het risico dat men depressief wordt. Ik acht een complexe en dus geen simpele monocausale verklaring, zoals bijna altijd in de psychiatrie, aannemelijk. Ik durf dan ook niet uit te spreken dat zonder ongeval nu geen depressieve stoornis zou bestaan. Het komt mij voor dat hier een arbitraire beslissing moet worden genomen die ik niet vanuit mijn deskundigheidsgebied wetenschappelijk verantwoord kan noemen.
(…)
5. Acht u wat betreft de onder 3 omschreven ongevalsgevolgen thans een eindtoestand bereikt? Zo nee, wanneer verwacht u die dan wel? Zo ja, wilt u dan aangeven in welke klasse (1 = geen beperking; 2 = milde beperking; 3 = matige beperking; 4 = aanzienlijke beperking; 5 = extreme beperking) volgens de tabel op bladzijde 363 van de AMA Guides 5e editie u het functioneren van betrokkene taxeert: a. in ADL activiteiten; b. in het sociaal functioneren; c. in de concentratie; d. in de adaptatie aan stressvolle omstandigheden?

Ik verwijs naar de paragraaf ‘beperkingen’. Voor de genoemde categorieën kom ik uit op score ‘matige beperking’. Ik wijs er wel op dat ik terzake geen onderscheid maak tussen wel en niet als ongevalsgevolg te duiden beperkingen. Ik herleid de beperkingen primair tot de depressieve stoornis en daarover merk ik op dat de tijdsrelatie met het ongeval op zichzelf geen causaal verband impliceert, dat ik deze depressie ook niet exclusief als ongevalsgevolg kan zien en dat het onderscheid ten opzichte van andere mogelijk oorzakelijke factoren niet betrouwbaar en objectief mogelijk is.
(…)”.

3.4. [verzoeker] baseert zijn verzoek op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (hierna: de Wet deelgeschilprocedure). [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij tengevolge van het verkeersongeval, waarbij hij een ernstige whiplash heeft opgelopen, hoofdpijn- en depressiviteitsklachten heeft ontwikkeld welke nog steeds voortduren. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat het bestaan van het causaal verband tussen zijn klachten en het verkeersongeval wordt bevestigd door het rapport van [psychiator]. Voornoemde klachten hebben ertoe geleid, zo vervolgt [verzoeker], dat hij arbeidsongeschikt is geraakt. [verzoeker] stelt dat hij daardoor schade heeft geleden, zoals inkomensschade, reiskosten, schade door afgenomen zelfwerkzaamheid en smartengeld. De omvang van zijn schade staat nog niet vast staat, maar deze bedraagt meer dan de door De Vaderlandsche betaalde voorschotten, aldus [verzoeker].

3.5. De Vaderlandsche stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek van [verzoeker] niet ontvankelijk verklaard moet worden omdat de onderhavige zaak zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Zo de rechtbank niet al direct zou oordelen dat er geen sprake is van causaal verband, dan is naar het oordeel van De Vaderlandsche nader deskundigenonderzoek/bewijslevering noodzakelijk. Daarnaast bestaat er tussen partijen ook over de omvang van de schade, waaronder de vraag in hoeverre de verdiencapaciteit van [verzoeker] is beïnvloed door de gestelde beperkingen, geen eenduidigheid. Subsidiair stelt De Vaderlandsche zich op het standpunt dat het causaal verband tussen de door [verzoeker] gestelde klachten en het verkeersongeval ontbreekt en dat dit causaal verband ook niet volgt uit de rapportage van [psychiator].

3.6. Met betrekking tot het primaire verweer van De Vaderlandsche overweegt de
rechtbank het volgende. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter. Doel van de procedure is het verkrijgen van een rechterlijke beslissing over onderwerpen die partijen verdeeld houden en aldus in de weg staan aan de totstandkoming van een minnelijke regeling.

3.7. Ingevolge artikel 1019z Rv dient de rechter te beoordelen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Indien een deelgeschilbeslissing geen bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een minnelijke regeling, dient de rechter het verzoek tot beslechting van een deelgeschil af te wijzen.

3.8. Het verzoek van [verzoeker] ziet in hoofdzaak op het verkrijgen van een beslissing over het causaal verband tussen de klachten en beperkingen van [verzoeker] en het verkeersongeval en niet op het verkrijgen van een eindbeslissing. De Vaderlandsche heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven dat – indien de rechtbank oordeelt dat er sprake is van causaal verband tussen de klachten van [verzoeker] en het verkeersongeval – een dergelijke beslissing voor haar aanleiding is om opnieuw met [verzoeker] in gesprek te gaan over de schadeafwikkeling. Nu de rechtbank – zoals uit haar overwegingen hierna zal blijken – geen noodzaak ziet tot bewijslevering, is de rechtbank van oordeel dat de investering in tijd, geld en moeite beperkt zal zijn en dat de beslissing een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een minnelijke regeling. Daarmee leent onderhavig geschil zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Het primaire verweer van De Vaderlandsche wordt daarom verworpen.

3.9. Partijen twisten over de vraag of er sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de beperkingen van [verzoeker].

3.10. De rechtbank stelt voorop dat [verzoeker] dient te stellen en – zonodig te bewijzen – dat hij beperkingen heeft als gevolg van gezondheidsklachten die in causaal verband staan tot het verkeersongeval.

3.11. Partijen hebben in verband met het geschil over de causaliteitsvraag in samenspraak [psychiator] verzocht onderzoek te doen naar de huidige klachten van [verzoeker] en het bestaan van causaal verband tussen die klachten en het verkeersongeval. [psychiator] heeft op 11 maart 2011 hierover een rapport uitgebracht. Nu beide partijen het rapport van [psychiator] als leidend beschouwen en dit rapport ten grondslag hebben gelegd aan hun stellingen, zal de rechtbank dit rapport als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van het voormelde causaal verband.

3.12. Met betrekking tot de klachten van [verzoeker] vermeldt [psychiator] in zijn rapport dat [verzoeker] een depressieve indruk maakt, dat hij futloos en initiatiefloos is, dat hij zich altijd moe voelt, dat hij zich nauwelijks tot iets kan zetten en dat zijn ouders voor zijn dagstructuur moeten zorgen. [psychiator] diagnosticeert deze klachten als een depressieve stoornis. Voorts kan de hoofdpijn, hoewel daarvoor geen somatische verklaring aanwezig is, geclassificeerd worden als een somatoforme pijnstoornis. Het bestaan van deze objectief vastgestelde stoornissen is niet, althans onvoldoende betwist door De Vaderlandsche, zodat deze klachten door de rechtbank als vaststaand worden aangemerkt.

3.13. Met betrekking tot de vraag welke van de gezondheidsklachten van [verzoeker] afwezig zouden zijn indien het verkeersongeval niet had plaatsgevonden, stelt [psychiator] zich – samengevat – op het standpunt dat hij met betrekking tot de hoofdpijnklachten geen medisch causaal verband met het verkeersongeval kan aannemen. Met betrekking tot de depressieve stoornis vermeldt [psychiator] dat “aanleg en persoonlijkheidskenmerken als regel duidelijk invloed hebben op het risico dat men depressief wordt en dat hij een complexe en dus geen monocausale verklaring aannemelijk acht”. [psychiator] vermeldt voorts dat “hij niet durft uit te spreken dat er zonder ongeval geen depressieve stoornis zou zijn ontstaan”. Voorts vermeldt hij bij zijn antwoord op vraag 5 dat de tijdsrelatie tussen de depressieve stoornis en het verkeersongeval op zichzelf geen causaal verband oplevert, dat hij de depressie ook niet exclusief als ongevalsgevolg kan zien en dat het onderscheid ten opzichte van andere mogelijke oorzakelijke factoren niet betrouwbaar en objectief mogelijk is.

3.14. Aangaande het beloop van de hoofdpijnklachten vermeldt [psychiator] dat hij moet aannemen dat de hoofdpijn een chronische klacht is. Met betrekking tot het beloop van de depressieve stoornis concludeert [psychiator]: “De behandelend psychiater sprak een jaar na het ongeval over een depressieve stoornis; die aanduiding was niet eerder gebruikt.” en “de diagnose depressieve stoornis is mijns inziens thans zeker van toepassing en ik stel vast dat de behandelend psychiater daarin consistent is”.

3.15. Nu [verzoeker] verzoekt om de door [psychiator] vastgestelde beperkingen aan het verkeersongeval toe te rekenen en [psychiator] alle beperkingen van [verzoeker] primair herleid tot de depressieve stoornis, acht de rechtbank het in zoverre in onderhavig geschil niet van belang of er sprake is van een causaal verband tussen de hoofdpijnklachten en het verkeersongeval.

3.16. Ten aanzien van de depressieve stoornis leidt de rechtbank uit de antwoorden en conclusies van [psychiator], in onderling verband gelezen en bezien, af dat hij minstgenomen het verkeersongeval als één van de (medische) oorzaken van de depressieve stoornis bij [verzoeker] beschouwt, nu hij vermeldt dat er sprake is van een complexe verklaring voor de depressieve stoornis en hij de depressieve stoornis niet als exclusief ongevalsgevolg kan zien. Medisch gezien zou de depressie derhalve niet zijn ontstaan indien het ongeval niet had plaatsgevonden.
Daarbij leidt de rechtbank uit het rapport van [psychiator] ook af dat de klachten ter zake zijn depressieve stoornis niet bestonden voorafgaand aan het verkeersongeval, doch dat deze pas daarna zijn ontstaan. Anders dan De Vaderlandsche aanvoert, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het rapport van [psychiator] derhalve dat voor de depressieve stoornis waaraan [verzoeker] lijdt wél een externe oorzaak is aan te wijzen.

3.17. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het (juridisch) causaal verband tussen de depressieve stoornis van [verzoeker] en het verkeersongeval in voldoende mate is komen vast te staan.

3.18. De vraag of en in hoeverre er sprake is van een persoonlijke – psychische – predispositie bij [verzoeker], kan in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de schadeomvang. Daarbij dient de rechter af te wegen hoe de door de predispositie geschapen kwade kansen zich verhouden tot de goede kans dat zij zich niet zal manifesteren. Nu het verzoek van [verzoeker] echter ziet op het vaststellen van het causaal verband tussen het verkeersongeval enerzijds en de depressieve stoornis van [verzoeker] en zijn klachten anderzijds en niet op het vaststellen van de schadeomvang, zal de rechtbank zich hierover niet uitlaten.

3.19. De Vaderlandsche heeft aangevoerd dat [verzoeker] – nadat rond 2005 zijn whiplashklachten waren genezen – pas de laatste jaren psychische klachten heeft ontwikkeld. Dit verweer wordt gelet op hetgeen [psychiator] ter zake het beloop van die klachten heeft geantwoord, verworpen. [psychiator] vermeldt immers in zijn rapport dat de behandelend psychiater al in 2001 (en voor het eerst) sprak over een depressieve stoornis.

3.20. Door De Vaderlandsche is voorts aangevoerd dat [verzoeker] twee jaar voor het bewuste verkeersongeval bij een ander ongeval betrokken is geweest en dat [verzoeker] in 2003 opnieuw bij een ongeval betrokken is geraakt. Zoals hiervoor reeds overwogen volgt uit het rapport van [psychiator] dat de depressieve stoornis voor de eerste keer is vastgesteld een jaar na het verkeersongeval, zodat naar het oordeel van de rechtbank op grond van het rapport van [psychiator] (een begin van) een causaal verband tussen de depressieve stoornis en een aan het verkeersongeval voorafgaand ongeval niet kan worden aangenomen. Met betrekking tot het ongeval in 2003 heeft [verzoeker] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling onweersproken verklaard dat hij toen van een keukentrapje is gevallen en een rib heeft gekneusd, en dat dat ongeval los staat van de klachten waar het in deze zaak om gaat. Aldus is de rechtbank van oordeel dat ook de genoemde ongevallen het causaal verband tussen de depressieve stoornis en het verkeersongeval niet doorbreken.

3.21. Voorts is door De Vaderlandsche in het kader van haar betwisting van het bestaan van causaal verband aangevoerd dat – samengevat – de klachten waaraan [verzoeker] thans lijdt zeer veel voorkomen als gevolg van de persoonlijkheidsstructuur, zonder dat een externe oorzaak aan te wijzen is, dat [verzoeker] rond 2005 allerlei activiteiten ondernam die er op duiden dat er toen geen noemenswaardige klachten meer waren als gevolg van het verkeersongeval, dat het UWV hem toen minder dan 15 % arbeidsongeschikt achtte en dat er indicaties zijn die reden geven tot twijfel over de moraliteit van [verzoeker]. Die omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, mede gelet op het feit dat De Vaderlandsche in het kader van het onderzoek door [psychiator] met betrekking tot die door haar gestelde omstandigheden, alsmede de omstandigheid dat [verzoeker] twee jaren voorafgaand aan het verkeersongeluk en in 2003 een ongeluk is overkomen, geen vragen aan [psychiator] heeft gesteld dan wel opmerkingen hierover heeft gemaakt, maar zich aan het rapport van Van Den Bosch heeft geconformeerd. Het verweer van De Vaderlandsche ter zake wordt daarom verworpen.

3.22. [psychiator] stelt voorts beperkingen vast bij [verzoeker] die hij primair herleid tot de depressieve stoornis. Na onderzoek komt [psychiator] uit op de score “matige beperking” op het gebied van ADL-activiteiten, sociaal functioneren, concentratie en adaptatie aan stressvolle omstandigheden. Door De Vaderlandsche zijn deze door [psychiator] gestelde beperkingen alsmede de omstandigheid dat die beperkingen hun oorzaak vinden in de depressieve stoornis, niet betwist. De rechtbank neemt daarom deze beperkingen en de omstandigheid dat deze beperkingen zijn te herleiden tot de depressieve stoornis als vaststaand aan.

3.23. Nu de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat er sprake is van causaal verband tussen de depressieve stoornis van [verzoeker] en het verkeersongeval alsmede dat de door [psychiator] gestelde beperkingen zijn te herleiden tot die depressieve stoornis, zal het verzoek van [verzoeker] aan de rechtbank om te beslissen dat alle beperkingen, zoals omschreven in het rapport van [psychiator], als gevolg van het ongeval op 21 november 2000 moeten worden toegerekend, toewijzen.

3.24. Vast staat dat De Vaderlandsche aansprakelijkheid voor het verkeersongeval heeft erkend. Dit betekent dat, nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat er sprake is van causaal verband tussen het verkeersongeval en de depressieve stoornis, De Vaderlandsche aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] als gevolg van de door [psychiator] in verband met dat verkeersongeval vastgestelde depressieve stoornis en daarmee samenhangende beperkingen heeft geleden en zal lijden en dat De Vaderlandsche die schade dient te vergoeden aan [verzoeker].

3.25. [verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om te beslissen dat alle met die beperkingen verbandhoudende schade door De Vaderlandse behoort te worden vergoed. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat reeds nu een oordeel van de rechtbank zou worden gevraagd omtrent de toerekenbaarheid en de omvang van de schade, terwijl uit de stellingen van [verzoeker] een verzoek om een dergelijk oordeel niet volgt. De rechtbank begrijpt dit onderdeel van het verzoek daarom in meer algemene zin aldus dat [verzoeker] verzoekt te beslissen dat De Vaderlandsche de schade die [verzoeker] als gevolg van de door [psychiator] in verband met dat verkeersongeval vastgestelde beperkingen heeft geleden, dient te vergoeden. De rechtbank zal dit onderdeel van het verzoek in die zin toewijzen.

Kosten van de deelgeschilprocedure

3.26. [verzoeker] verzoekt tot slot dat de rechtbank beslist dat De Vaderlandsche de door hem in het kader van de deelgeschilprocedure gemaakte kosten dient te vergoeden. Bij brief 29 februari 2012 heeft [verzoeker] een urenspecificatie overgelegd en meegedeeld dat tot en met 28 februari 2012 5 uur en 40 minuten aan de deelgeschilprocedure is besteed, dat het uurtarief EURO 200,00, bedraagt, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en 19% BTW en dat een bedrag van EURO 267,00 aan griffierecht is voldaan. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is door [verzoeker] meegedeeld dat in aanvulling op de bij brief van 29 februari 2012 overgelegde urenspecificatie aan de voorbereiding van de mondelinge behandeling en de aanwezigheid bij de mondelinge behandeling in totaal 4,5 uur is besteed. Het totaal bedrag ter zake de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de raadman van [verzoeker] bedraagt daarmee EURO 2.831,84 (10,10 uur x uurtarief EURO 200,00 x 6% kantoorkosten x 19% BTW + EURO 267,00 griffierecht).

3.27. In art. 1019aa lid 1 Rv is bepaald dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Het dient derhalve redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn.

3.28. Het verweer van De Vaderlandsche dat de door [verzoeker] gevorderde kosten met betrekking tot de onderhavige deelgeschilprocedure niet in redelijkheid zijn gemaakt omdat deze zaak zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure wordt, nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat dit wel het geval is, verworpen. Ten aanzien van de hoogte van de kosten heeft De Vaderlandsche geen verweer gevoerd.

3.29. Nu het verzoek van [verzoeker] wordt toegewezen is de rechtbank van oordeel dat de door [verzoeker] in verband met het inroepen van juridische bijstand gemaakte kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Nu De Vaderlandsche voorts het door de raadsman van [verzoeker] aan de deelgeschilprocedure besteedde uren en het gehanteerde uurtarief niet betwist, zal de rechtbank het verzoek van [verzoeker] om De Vaderlandsche te veroordelen in de kosten van de deelgeschilprocedure toewijzen. De rechtbank begroot deze kosten op een bedrag van € 2.831,84.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1 bepaalt dat alle beperkingen, zoals omschreven in het aan het verzoekschrift gehechte medisch rapport van [psychiator], als gevolg van het ongeval van 21 november 2000 moeten worden toegerekend en dat de daarmee verbandhoudende schade door De Vaderlandsche behoort te worden vergoed;

4.2 begroot de kosten van de onderhavige procedure die voor vergoeding op grond van artikel 1019aa Rv in aanmerking komen op een bedrag van EURO 2.831,84 en veroordeelt De Vaderlandse tot vergoeding van deze kosten aan [verzoeker];

4.3 wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Wetering en in het openbaar uitgesproken op maandag 16 april 2012.